Stichting Dovenzorg Geref. Gem.: Psalmen zingen in gebarentaal

Lydia Larooij (l.), N eeltje de Vos-Drooger (m.) en Dini Larooij ervaren hun doofheid niet als negatief. Al typeren ze hun beperking wel als een verborgen handicap. Ze zijn dan ook blij met het werk van stichting Dovenzorg Gereformeerde Gemeenten. Foto Frank van Rossum Frank van Rossum

Doofheid is een verborgen handicap. Daarover zijn Dini en Lydia Larooij en Neeltje de Vos-Drooger het eens. Ze zijn blij voor de aandacht die er vanuit de stichting Dovenzorg Gereformeerde Gemeenten voor hun beperking is. „In dovendiensten horen we in duidelijke taal over de weg der zaligheid.”

Ze staan met „één been in de horende maatschappij en met het andere been in de wereld van de doven.” De drie vrouwen voelen zich echter niet bijzonder. „Toch praat iemand af en toe op een overdreven toon tegen me”, vertelt Lydia. „Doe alsjeblieft gewoon, denk ik dan.” De meeste mensen zijn hartelijk, maar sommigen reageren ronduit onsympathiek. „Bijvoorbeeld als ze me de weg vragen en ik hen niet kan helpen”, weet Lydia uit ervaring. „Zoiets doet pijn, maar gebeurt gelukkig niet dagelijks”, reageert Neeltje. „Wanneer iemand in een winkel iets tegen mij zegt en ik niet snel reageer, wordt dat wel eens als onbeleefd beschouwd”, vult Dini aan.

Ondanks dergelijke ervaringen staan de vrouwen positief in het leven. „Eben-Haëzer, tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen”, stellen ze eensgezind. Dini (59), die samen met Lydia (57) in Voorburg woont, werkt als verpleeghulp op de kinderafdeling in het Haagse ziekenhuis Bronovo. Lydia verdient de kost als groepsleidster in een jeugdhuis van het Leger des Heils in haar woonplaats. De zussen werden doof geboren. Neeltje (27) is oproepkracht (kok) in zorgcentrum De Schutse in Sint Annaland. Zij was vanaf haar geboorte een jaar slechthorend en werd daarna doof. Ze woont samen met haar man en pleegdochter in Tholen.

Lydia: „Je groeit met doofheid op. Als kind wist ik niet beter, al merkte ik wel dat horende leeftijdsgenoten met wie ik speelde anders communiceerden.” Dini: „Pas toen ik puber was, kwam bij mij de vraag boven waarom ík doof was. Mijn ouders reageerden toen met: waartoe.” „Ik ben thuis goed opgevangen en heb mij nooit minder dan de anderen gevoeld”, herinnert Neeltje zich. Dini en Lydia herkennen dat.

Lydia: „Als iemand mij alleen vraagt hoe het gaat, het daarbij laat en niets over zichzelf vertelt, haak ik af. Interesse moet van twee kanten komen.” Neeltje: „Meestal pakken mensen het positief op als ze merken dat ik doof ben. Wanneer ik in een groep een gesprek probeer te beginnen, wordt dit nogal eens afgekapt.” Lydia: „Dan voel je je buitengesloten.” Dini: „Toch ervaar ik doofheid niet als iets negatiefs.”

Het gesprek vindt plaats in de flat van Dini en Lydia in het bijzijn van een doventolk. Neeltje hoort het nodige dankzij een cochleair implantaat (CI). „Veel buitenstaanders denken dat je met een CI prima hoort, maar dat klopt niet. Het is een hulpmiddel. Ik kan niet zonder liplezen en gebarentaal.” Lydia trekt een ondeugend gezicht, omdat ze net als haar zus weinig met een CI opheeft. Lachend: „Met mijn uitwendige gehoorapparaat vang ik ook geluiden op, terwijl het slechts 99 euro kost. En jouw implantaat?” „Twintigduizend euro”, aldus Neeltje.

Er bestaat weinig verschil tussen de contacten die Dini, Lydia en Neeltje met doven en met horenden hebben. Neeltje: „Ik heb dove en horende vriendinnen en kan met beiden goed opschieten. Met mijn dove vriendin kan ik meer delen, omdat we allebei ervaren dat we dingen missen. Daarin begrijpen we elkaar.” Dini: „Soms zijn horenden ongeduldig, maar de meesten stellen zich begripvol op. Het valt me op dat buitenkerkelijken dankzij de media beter op de hoogte zijn met wat doofheid betekent dan veel reformatorische mensen. Ze zien bijvoorbeeld gebarentaal van een doventolk tijdens het journaal op tv.”

De vrouwen kwamen al jong met Dovenzorg in aanraking. Lydia: „Onze vader was bestuurslid, we zijn dus met de stichting opgegroeid. Dovenzorg vormt daardoor een deel van ons leven.” Dini: „In 1985 werd in Ootmarsum de eerste vakantieweek georganiseerd. Wij waren van de partij en zijn daarna met veel trips in binnen- en buitenland meegeweest.”

Neeltje: „Ik volgde als kind de catechisaties in Kapelle-Biezelinge en in Tholen en ik heb veel gehad aan de Bijbelverhalen die mevrouw Quist vertelde. Later ging ik mee op dovenkampen voor kinderen en bezocht ik de ontmoetingsdagen.”

Allen bezoeken regelmatig de kerkdiensten voor doven, die de stichting organiseert. Vroeger niet altijd even vrijwillig. Dini: „Als puber hadden we soms weinig zin, maar we moesten mee van onze ouders. Nu zijn we hen daar dankbaar voor.” Lydia: „Het is een voorrecht dat we tijdens dovendiensten de weg der zaligheid mogen horen.” Dini: „Doven en horenden hebben dezelfde genade nodig.”

De activiteiten die Dovenzorg organiseert, leveren de nodige contacten op. Neeltje: „Ik ontmoette er mijn man, die slechthorend is, en heb de nodige vriendinnen opgedaan.” Dini: „Het is altijd gezellig de bijeenkomsten te bezoeken.” Lydia: „We gaan soms uit eten of op vakantie met vrienden die we via Dovenzorg leerden kennen.”

Dini en Lydia zijn (bestuurs)lid van de dovenvereniging Ora et Labora, die onder de paraplu van Dovenzorg valt. Lydia: „We doen Bijbelstudie onder leiding van een van de dovenpastors en organiseren themaochtenden waarop een spreker een actueel onderwerp behandelt.”

Ers is genoeg werk voor Dovenzorg, menen de vrouwen. Lydia: „In het blad Dovencontact, dat de stichting uitgeeft, staan preken en leerzame artikelen over doofheid. Dankzij de activiteiten van de stichting kunnen jongeren en ouderen elkaar ontmoeten en zich met hen identificeren. Het is belangrijk dat ook kinderen dovendiensten bezoeken” Neeltje: „In onze kerk kan ik de preek vaak goed volgen dankzij de gebarentaal van een tolk of omdat meegeschreven wordt door de gemeenteleden. Maar de preken tijdens dovendiensten zijn eenvoudiger en korter. Ik kan ze beter begrijpen. Tijdens weekenden zijn er preekbesprekingen en bestaat de mogelijkheid om persoonlijke vragen aan de dominee te stellen.” Lydia: „Dankzij Dovenzorg doen steeds meer kerken hun best om doven bij de gemeente te betrekken.”

Er bestaat tevredenheid over het aanbod. Lydia: „De stichting doet meer dan voldoende.” Neeltje: „Ik leer kinderen psalmen in gebarentaal te zingen. De woorden gaan dan meer leven en zijn beter te onthouden. Ik zou zoiets tijdens dovenweekenden ook met jongeren willen doen.” Lydia: „Zeker, want een psalm zingen, kan ook bidden zijn.”


„Franje moet eraf tijdens dienst voor doven”

Doven de boodschap van God brengen, ervaart ds. W. Harinck als een worsteling. De predikant van de gereformeerde gemeente in Moerkapelle is sinds 1988 bij de stichting Dovenzorg Gereformeerde Gemeenten betrokken. Aanvankelijk als dovenpastor, later ook als voorzitter.

„Doofheid is een handicap, die overigens niets met de mate van intelligentie te maken heeft. De beperking ligt op het vlak van communicatie. De woordenschat van doven is kleiner dan die van horenden. Daarom moet een prediker zich beperken tot de kern en zo concreet mogelijk zijn om de boodschap van zonde en genade over te brengen. Alle franje moet eraf, zei ds. Van Aalst eens. In een preek over Aäron en Hur die Mozes ondersteunen, zal de gemiddelde dove niet begrijpen waarom ik Mozes en de meerdere Mozes in één adem noem. Er zijn tussenstappen nodig om duidelijk te maken dat met de meerdere Mozes de Heere Jezus wordt bedoeld én waarom je Hem zo mag aanduiden.”

Dovenzorg ziet geestelijke toerusting als haar kerntaak. Zij belegt maandelijks een of meer dovendiensten en verzorgt catechisaties. Daarnaast verlenen drie dovenpastors op verzoek van een kerkenraad pastorale zorg. „Dove jongeren moeten zo veel mogelijk Bijbelkennis kunnen opdoen, onder andere via de catechisaties. Hoe meer ze weten, des te beter ze begrippen zoals barmhartigheid, goedentierenheid en rechtvaardigheid zullen begrijpen. Al zal ik bij de uitleg van dergelijke woorden altijd proberen om voorbeelden uit Bijbelse geschiedenissen gebruiken.”

Samenbindend werken staat ook hoog in het vaandel van Dovenzorg. De stichting organiseert onder meer dovenweekenden en contactdagen en geeft tweemaandelijks het blad Dovencontact uit.

Ds. Harinck maakt regelmatig een weekend mee. „Behalve voor ontspanning en ontmoeting reserveren we tijd voor Bijbelstudie en preekbespreking. De bearbeiding van de dove naaste vanuit het Woord en de belijdenis staat voorop. Uit de geestelijke vragen die ik dan krijg, merk ik dat we ons werk niet voor niets doen. Ik moet vaak denken aan de tekst: „Doden zullen horen de stem van de Zoon van God.” God is ook machtig doven te vernieuwen.”

Dovenzorg hoopt nog lang met haar activiteiten door te kunnen gaan. Er is voldoende werk, stelt de voorzitter. „Nieuwe, technische ontwikkelingen zoals de vertaalcomputer die de spreekstem in tekst weergeeft en het cochleair implantaat vragen de aandacht. Daarnaast is er binnen de kerkelijke gemeenten voortgaande bezinning nodig om doven beter laten integreren.”

Volgens de predikant nemen veel doven graag deel aan het verenigingsleven, maar durven ze niet goed of voelen zich wat geïsoleerd op een club of vereniging. „Het vergt inspanning en geduld van de andere leden om mensen met een beperking bij de activiteiten te betrekken. Zorg in elk geval dat er iemand is die een dove zo nodig bijpraat. Het zit niet in grote dingen, maar vooral in persoonlijke aandacht.”


Herdenken

De stichting Dovenzorg Gereformeerde Gemeenten bestaat een halve eeuw. De doelgroep bestaat uit circa honderd mensen. Ze zijn voornamelijk uit de Gereformeerde Gemeenten afkomstig, maar ook doven uit andere kerken binnen de gereformeerde gezindte nemen aan de activiteiten deel.

De stichting belegt op 5 maart een herdenkingsdienst in de gereformeerde gemeente van Gouda. Aanvang: 10.30 uur. ’s Morgens gaat ds. W. Harinck voor. ’s Middags vertelt Jacqueline Baaij een Bijbelverhaal voor de kinderen en zingt Neeltje de Vos met hen in gebarentaal. Ook houdt de dovenvereniging Ora et Labora een presentatie.