Stef Tuinstra wil Georg Böhm uit de schaduw halen

Stef Tuinstra bij het Hinszorgel in Zandeweer, waar hij een aantal Böhmwerken opnam. Foto Sjaak Verboom Sjaak Verboom
2

Hij hoort bij de drie grote B’s: Buxtehude, Böhm, Bach. Maar Georg Böhm lift vooral mee op de bekendheid van zijn leerling Bach. Terwijl het orgeloeuvre van de 17e-eeuwse componist wel degelijk meer dan de moeite waard is, vindt Stef Tuinstra. Daarom haalt de Groningse organist met een 3-cd-box Böhm uit de schaduw.

Zandeweer, boven in Groningen. Een prachtig middeleeuws kerkje met een al even prachtig orgel van A. A. Hinsz uit 1731. Het instrument, in 2008 door Reil integraal gerestaureerd, staat er als een plaatje bij. Stef Tuinstra, die als adviseur betrokken was bij de laatste restauratie, is zichtbaar verknocht aan het orgel.

Achter de klavieren laat hij horen waarom hij ook hier een aantal werken van Georg Böhm (1661-1733) wilde opnemen. „Ik heb het complete orgeloeuvre in Hamburg opgenomen, op het gereconstrueerde vierklaviers instrument van Schnitger uit 1693: een groot Hamburgs stadsorgel. Maar door een aantal werken ook hier in Zandeweer te spelen, wil ik het verschil in interpretatie laten horen. Dit instrument kun je zien als een ruim bemeten dorpsorgel, gebouwd in de traditie van Schnitger en Hamburg. Albertus Anthoni Hinsz was in die tijd juist van Hamburg naar Groningen verhuisd en zette hier de Noord-Duitse orgelbouwtraditie van Schnitger voort.”

Die Hamburgse stijl is in het Hinszorgel goed te herkennen, zegt Tuinstra. „Een krachtige, zilveren klank in een iets aangepaste middentoonstemming. Het orgel in Hamburg heeft zestig stemmen, dit in Zandeweer zestien, met aangehangen pedaal. Maar toch heeft dit instrument, in al z’n compactheid, eenzelfde sfeer als zo’n groot stadsorgel.”

Met een van Böhms variaties over ”Christe, der du bist Tag und Licht” laat Tuinstra horen hoe hij ook op een dorpsorgel een orkestrale klank wil realiseren. „Deze variatie wordt vaak gespeeld als een tweestemmig bicinium waar je niet zo veel mee kunt. Maar als je zo’n stuk denkt vanuit een ensemblestijl, met een zanger, een gambist en een continuospeler, wordt het ineens een stuk rijker. Je moet dan de tweestemmig genoteerde muziek opvullen met improvisatorische elementen. Het wordt dan veel moeilijker, maar je bereikt wel de ”cantatesound” die Böhm naar mijn inzicht voor ogen stond.”

Tuinstra is zich bewust van het speculatieve element in zijn benadering. „Ik zeg ook niet dat ik de waarheid in pacht heb. Maar ik geef een mógelijke uitvoering, die ik beargumenteer op basis van wat we van Böhm en tijdgenoten weten.”

Van Böhm is niet veel bekend. Hij wordt in 1661 in Thüringen geboren, studeert in Gotha en Jena, krijgt mogelijk les van Johann Pachelbel, vestigt zich rond zijn 30e in Hamburg, waar zijn gezin een aantal jaar lid is van de Jacobikirche. Mogelijk heeft hij hier les van Johann Adam Reincken en is hij als klavecinist betrokken bij de Hamburgse opera. In 1698 wordt hij benoemd tot organist van de Johanniskirche in Lüneburg, waar hij tot zijn dood in 1733 zal blijven. Vanaf 1700 verblijft de jonge Johann Sebastian Bach twee jaar in Lüneburg en Böhm fungeert in die periode als een soort vaderfiguur voor hem. In 1712 gaat een wens van Böhm in vervulling: zijn orgel in de Johanniskirche wordt door een leerling van Schnitger helemaal in Noord-Duitse stijl omgebouwd. Hij krijgt de beschikking over een groot drieklaviers orgel met twee 32-voets registers op het pedaal. „Samen met de formidabele akoestiek was het orgel een muzikaal hoogtepunt”, aldus Tuinstra.

Juist dat grote orgel heeft Tuinstra gebracht bij zijn eigen interpretatie van Böhms muziek. „De bekende partita’s van Böhm, zoals ”Freu dich sehr” en Ach wie nichtig”, worden vaak zonder pedaal gespeeld. Dat komt door de notatie die we ervan hebben. Maar waarom wilde die man zo’n groot orgel hebben in Lüneburg, met zelfs een Bazuin 32’ in het pedaal? Toen hij in Hamburg woonde heeft hij kennisgemaakt met het grote orgel van Schnitger in de Jacobikirche, dat in 1693 klaar was. Dát wilde hij in Lüneburg ook. Mijn stelling is dat Böhm breed en groots dacht, vanuit de toenmalige orkestrale klank. Hij wilde alle orkestklanken in z’n orgel hebben. De bekende uitspraak van César Franck dat zijn orgel zijn orkest was, gold dus ook voor een man als Böhm. In sommige orgelwerken komt de benadering die je in zijn cantates aantreft terug. Natuurlijk, ze zijn eenvoudig genoteerd, overigens slechts in handschriften van kopiisten. Maar in die tijd gingen musici veel vrijer om met genoteerde muziek dan wij nu. Daarbij liepen klavecimbelspel, continuospel en orgelspel bij zulke mannen naadloos in elkaar over.”

Böhm leefde ook in een overgangstijd: de invloed van de galante Italiaanse en Franse operastijl is bij hem duidelijk aanwijsbaar, zegt Tuinstra. „Hij is in alles een tussenpersoon bij wie we een mix van de Franse en de Duitse traditie zien. De stijl waar Böhm een pionier van is, wordt na hem door mannen als Händel, Telemann en Bach tot grote hoogte gebracht.”

In zijn vertolking van Böhm zoekt Tuinstra zowel qua spel als qua registraties naar die vrije, orkestrale klank. „Zie mijn benadering ook maar als een pleidooi voor goed registreren op orgels. Zo vaak hoor je de standaardklank en gieten we alles in één sjabloon. Ik pleit voor een stuk vrijheid. Registreren is een kunst.”

Stond Böhm voor Tuinstra altijd in de schaduw van Bach, door dit project is zijn waardering voor de componist sterk toegenomen. „Ik ben al jaren met Böhm bezig, en al die tijd had ik al het gevoel dat hij veel groter is dan we denken. Nu ik voor deze integrale alle stukken van hem heb ingestudeerd, ben ik daar alleen maar in bevestigd. Deze muziek is van grote klasse. Collega’s vragen me wel eens of ik het niet zat wordt, al die koraalvariaties van die partita’s achter elkaar. Dat was voor mezelf van tevoren ook wel een zorg. Maar je moet ze niet allemaal achter elkaar met een Prestant 8’ en eenzelfde toetsaanslag spelen. Dan klinkt het simpel en saai en zit er weinig uitdaging in. Door mijn orkestrale benadering, waarbij ik op een 17e-eeuwse Franse manier op een Duits orgel speel, viel ik van de ene verbazing in de andere. Dat is ook de zin van een integrale: dat je niet zomaar met stukken apart bezig bent, maar alles bij elkaar hebt.”


Alle orgelwerken

Op het label DOCUMENT van Okke Dijkhuizen speelt Stef Tuinstra (1954) de complete orgelwerken van Georg Böhm. Tuinstra, organist van de Nieuwe Kerk in Groningen en de Jacobuskerk in Zeerijp, heeft ervoor gekozen de Böhmintegrale te spelen op het Schnitgerorgel (1693) in de Jacobikirche te Hamburg. Overwogen is om het orgel van de Johanniskirche in Lüneburg, waar Böhm organist was, te nemen. Maar vanwege de veranderingen die dat ondergaan heeft, is dat niet zo origineel bewaard gebleven als het instrument in Hamburg. Een klein deel van het programma is ook opgenomen op het Hinszorgel (1731) in de Mariakerk van Zandeweer. Daarnaast heeft Tuinstra een bloemlezing uit Böhms werken voor verschillende toetsinstrumenten opgenomen op een klavecimbel van Christian Zell uit 1728 dat zich in het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg bevindt.

De 3-cd-box, die op zaterdag 10 december (15.00 uur) in de Jacobuskerk in Zeerijp wordt gepresenteerd, kost € 34,95.

Meer informatie: www.documuziekproductie.nl

Praeludium in F-groot (Böhm)

Stef Tuinstra, orgel Jacobikirche Hamburg

Wer nur den lieben Gott läßt walten, partita 5 (Böhm)

Stef Tuinstra, orgel Jacobikirche Hamburg

Vater unser im Himmelreich, aria pedaliter (Böhm)

Stef Tuinstra, orgel Jacobikirche Hamburg

Ach wie nichtig, ach wie flüchtig, partita 6 (Böhm)

Stef Tuinstra, orgel Jacobikirche Hamburg