Meer verstand van je opgroeiende kamerplant

Wonen & Leven West-Nederland
10

Lust hij nou een flinke slok of is hij bijna geheelonthouder? Houdt hij van zon of van schaduw? En mag je hem op elk moment in het jaar kortwieken? Voor wie geen groene vingers heeft, is elke opgroeiende kamerplant als een dito puber vol hormonen: wat hij nodig heeft? Geen idee.

Sommige flora gedijt vanzelf. Cactussen en plastic planten zijn wat dat betreft mijn favoriete groene vrienden: ook al vergeet je ze een paar weken, ze blijven er goed uitzien. Dit in tegenstelling tot hun bladerige buren, die soms al na een weekje vasten of een uurtje zon geprikkeld uit hun ogen kijken.

Als extra steek onder water weigeren sommige exemplaren te bloeien, terwijl ze dat volgens het kaartje aan hun voet meerdere keren per jaar zouden moeten kunnen. Of ze laten demonstratief hun ledematen hangen. Of ze vertonen opeens kleuren –meestal bruintinten– die ze niet horen te hebben.

De boodschap is duidelijk: groene vingers heb ik niet, tenzij ik spinazie zonder bestek eet. Hoe ik kamerplanten deskundig, met liefde en zorg, tot grote hoogten kan stuwen, geen idee!

Natuurlijk kan ik dit type zorg uitbesteden aan mijn vrouw, maar dat tast mijn eer als man aan. Alsof ík niet kan leren wat zo’n hortensia of fuchsia of hoe zo’n plant of bloem –zijn dat eigenlijk synoniemen?– ook mag heten, nodig heeft! Op zoek naar een cursus om flora-expert te worden.

Na een uurtje surfen zie ik door de bomen de plant niet meer. Er blijken cursussen plantenkennis te bestaan, die bijna 2000 euro kosten. (Hoeveel dode planten kun je voor dat geld wel niet vervangen?!) Er zijn stapels boeken over groene huisgenoten geschreven. Er bevinden zich tientallen florafielfora op internet. En toch... is er niet een goedkope workshop op de markt die je snel wat basisplantenkennis bijbrengt?

Dan opeens toont Google een gratis (!) cursus met de veelbelovende naam ”Meer verstand van je kamerplant”. Het enige is dat hij wordt aangeboden door een commerciële partij, Intratuin, dus waarschijnlijk zal de cursusleider zeggen dat de beste gereedschappen, hulpmiddelen, verzorgingsproducten en planten dáár te vinden zijn...

Aanmelden blijkt simpel: een kwestie van wat gegevens op de Intratuinsite invullen. Al snel ploft het eerste deel van de cursus in mijn inbox: ”De eerste stap naar groene vingers”. Cursusleider Joost –„plantengoeroe”–belooft zijn volgelingen dat ze na zes lessen alles weten over de verzorging van hun kamerplanten. „Je weet exact hoeveel water, licht en voeding je planten nodig hebben, hoe je moet stekken en of je moet snoeien en besproeien. Ongeacht hoe groen jouw vingers zijn.” Ik ben heel benieuwd; Joost mag het weten.

De plantengoeroe gaat enthousiast aan de slag. In een videoboodschap vertelt hij welke onderwerpen er aan bod komen en geeft hij aan dat de cursus op mijn niveau is afgestemd. Dat lijkt me sneu voor de andere deelnemers, maar goed. Meteen daarna wordt duidelijk wat hij met zijn opmerking bedoelt: „Gedurende de video’s krijg je een aantal keuzes voorgelegd. De keuze leg je vast met een simpele klik.” Differentiatie in de les, dus.

Uiteraard bepaal ik zelf wáár, wannéér en in welk tempo ik de lessen volg, belooft Joost. Om af te sluiten met: „Ik kan niet wachten om met jou aan deze cursus te beginnen.”

Ontspanning en creativiteit

De eerste aflevering heet ”De ontgroening”. Joost belooft de „basics van planten” uit te leggen: hun werking, eigenschappen en behoeften. (Het lijkt wel een huwelijkscursus.)

Om de interne motivatie van de cursisten hoog te houden gaat Joost eerst in op het nut van groen om je heen. „Het is niet alleen gezellig, maar het zorgt ook voor ontspanning, het stimuleert je zintuigen, het verbetert je creativiteit en je concentratievermogen en het vermindert stress.”

Voordat je tot de aankoop van een groene vriend overgaat, moet je bedenken dat planten alleen maar groeien als ze water, lucht en licht krijgen, stelt de goeroe. „Dit doen ze met behulp van fotosynthese. Weet jíj wat fotosynthese is?”

Het antwoord op de vraag bepaalt het vervolg van de les: zie daar de differentiatie. De uitleg duurt een seconde of vijftien en daarna komen de nee- en ja-klikkers weer bij elkaar om meer te leren over de diverse typen kamerplanten die er zijn: groene, bloeiende, luchtzuiverende, mini-exemplaren, cactussen/ vetplanten en hangplanten.

Tijd voor een voorbeeld, vindt Joost. Hij toont twee potten met inhoud. Een van de twee staat graag in de zon. Welke? De aloë vera of de varen? Het blijkt de eerste. Waarom? „Het blad is dikker en veel vetachtiger. Daarin heeft hij zijn reserves. Daardoor kan hij meer licht verdragen. Eigenlijk kun je hem een beetje vergeten en dan doet hij het het beste.” Kijk, dat zijn nuttige tips voor iemand die weinig tijd voor zijn groene vrienden heeft.

Na dit advies sluit Joost zijn les af met de opmerking dat we nu helemaal klaar zijn om „een groene huisgenoot te adopteren.” Hij belooft tijdens de volgende aflevering in te gaan op de vraag wélke wáár past en welke voeding die nodig heeft. (Hopen dat de huisgenoot niet op pubers lijkt, want dan kan ik elke dag wel voor eten naar de winkel.)

Een belangrijke vraag die je vóór de aankoop moet stellen is op welke plek de plant komt te staan, stelt de Intratuingoeroe in les 2. „Op basis daarvan weet je al hoeveel licht en water hij nodig heeft.” Verder moet je volgens hem kijken naar de luchtvochtigheid en temperatuur. Sommige planten houden van een droge en warme omgeving, andere niet. Maar geen een houdt van tocht, stelt Joost.

Handig foefje

De cursusleider raadt mij al snel aan om een makkelijk exemplaar te kopen. „Er is een handig foefje om te herkennen of een plant makkelijk of moeilijk is: naar de bladeren kijken. Planten met stevige bladeren kunnen vaak veel meer hebben dan planten met fragiele blaadjes. Mijn advies voor jou: ga voor een cactus of een vetplant zoals de echeveria of een pannenkoekplant.”

Vanwege de smakelijke naam en het feit dat hij volgens Joost makkelijk te stekken is, besluit ik voor de laatste te gaan. Bovendien is hij niet giftig. Wel zo fijn voor onze hamsters en kinderen. De reviews zijn goed –5 sterren– en de prijs valt mee: 14,99 euro. Overigens lijkt de makkelijke gatenplant me ook wel wat, maar die doet me toch te veel denken aan mislukte plantenexperimenten uit het verleden...

Een kwartiertje later sta ik in de dichtstbijzijnde plantenzaak. In gangpad 2 zie ik de pannenkoekvormige bladeren met hun lichtgroene ‘naveltjes’ van de Pilea peperomioides al naar me glimmen. Het glimmendste exemplaar belandt in mijn kar. Wat nu nog? Een pot, potgrond, een gieter, voeding...

De pot moest groot genoeg zijn en een neutrale uitstraling hebben, wanneer de plant veel aandacht moest trekken. Nu oogt mijn pannenkoekgeval een beetje saai, dus een dessintje lijkt mij persoonlijk niet erg. Maar ja, wat zou mijn vrouw willen... Ik mik een goedkoop, nietszeggend grijzig potje in de kar. Grond heb ik nog wel. Een gieter ook, en anders gebruik ik onze limonadekan. Nu nog voeding. Een flacon Pokon van 500 ml. kost 5,99 euro. Vooruit dan, Pilea drinkt toch niet veel.

Onder mijn snelbinders

Buiten gekomen blijk ik een tas vergeten te zijn, maar aangezien Joost zei dat mijn nieuwe huisgenoot veel kan hebben, mag hij onder mijn snelbinders. En inderdaad, hij geeft geen kik.

Even later prijkt Pilea in de pot in mijn vensterbank. Niet in de volle zon, maar ook niet in het donker. Na een weekje zonder water, voeding en liefde glimt hij nog net zo vriendelijk naar me als bij de aankoop. Wat een huisgenoot!

Een maandje later oogt hij nog steeds fris en fruitig. Natuurlijk heb ik hem dan wel een paar keertjes water gegeven; 1x per week een beetje, blijkt genoeg. Snoeien is gelukkig niet nodig. Mijn groene vriend groeit volgens kenners als een palm: de top wordt hoger, terwijl de onderste bladeren eraf vallen. Dat laatste zou overigens normaal zijn.

Maar bloeien dan? Dat is toch ook normaal? Elke gezonde plant bloeit toch wel een keertje per jaar? Nee dus. Een bloeiende pannenkoekplant blijkt een zeldzaamheid. Het kán echter wel: er zijn Pilea’s die kleine witte bloemetjes vormen. Maar hun eigenaar zal dan wel iemand zijn met alle liefde en tijd van de wereld. Sorry, pannenkoek.

Om te kijken hoe groen mijn vingers nu echt zijn geworden, besluit ik het laatste deel van Joosts cursus te openen: ”Laat je plantenfamilie groeien”. Volgens de goeroe is mijn Pileaatje makkelijk te stekken. Het enige wat ik nodig heb, is een mes, een glas met water en een potje met grond – allemaal goed schoon! Vervolgens moet ik in de kluit van de moederplant een takje van zo’n 10 tot 15 centimeter wegknippen, de aarde van het worteltje vegen en het stekje dan in een glaasje water op een lichte standplaats zetten. Na verloop van tijd moeten er wortels gaan groeien en als die 5-10 cm. zijn, mag ik het stekje gaan verpotten.

Financiële vruchten

Het lijkt gelukt. Inmiddels staat het pannenkoekkindje in een glas. Wortels zie ik nog niet. Maar ja, Joost zei niet voor niets dat je naast een mes, een glas en een potje veel geduld nodig had. Hopelijk is de baby rond april volwassen. Want dan is mijn moeder jarig. En kan ik haar een ‘zelfgemaakt’ cadeau geven. Gaat de gratis cursus ook nog financiële vruchten afwerpen...

Pannenkoekplant

De pannenkoekplant (Pilea peperomioides) vind je in de meeste tropische gebieden, met uitzondering van Australië. Er zijn ruim 600 verschillende planten binnen het geslacht Pilea. De meest bekende is de Pilea peperomioides, de pannenkoekplant: een opvallende verschijning met bladeren die lijken op groene pannenkoeken.

De Pilea is makkelijk te verzorgen en helpt zelfs een beetje mee om de lucht in huis te zuiveren. De plant heeft het liefst ontkalkt water en licht vochtige grond. In de zomer kan hij kleine witte bloemetjes krijgen.

Wil je meer pannenkoekplanten, dan stek je jouw exemplaar gewoon. Hier hoef je niet veel moeite voor te doen, want aan de voet groeien babyplantjes. Die kun je voorzichtig uit de grond trekken. Zet zo’n stekje in een flinke laag water in een glazen potje, zodat het (meer) wortels krijgt. Als er flink wat wortels zijn gevormd, zet je het in potgrond in een plantenpot.