Gratis Dordts museum brengt geschiedenis automobiel in beeld

MAN! Midden-Nederland
14

Vanbuiten lijkt het een gewone Mercedes-Benzdealer, Auto Wüst in Dordrecht. Maar wie de moeite neemt om twee trappen te beklimmen, belandt in een andere wereld. Van chauffeurs in livrei, van brandstof in glazen flessen, van trage ‘koetsauto’s’, maar ook van snelle Ferrari’s.

De topetage van de Dordtse Mercedesdealer biedt plaats aan het Carel Wüst Museum. „Bij mijn weten het enige gratis toegankelijke automuseum van Nederland”, vertelt eigenaar Marcel Wüst, samen met zijn broer George verantwoordelijk voor de vestigingen in Dordrecht, Oud-Beijerland en Hellevoetsluis. „Ik wil ermee het cultureel ergfoed rond automobielen doorgeven aan iedereen met belangstelling. Laten zien dat een vervoermiddel niet uit de lucht komt vallen, maar dat er iets aan voorafgaat. Tonen dat er elk decennium iets in de ontwikkeling van auto’s verandert. Die verhalen zijn zeker zo interessant als de wagens zelf. Pas als je die kent, gaat een Mercedes of Volkswagen leven.”

De eerste auto die de aandacht trekt, is een Mercedes 190 SL Roadster uit 1956. Er zijn precies 25.881 exemplaren van dit model geproduceerd, vertelt een informatiebordje. Het draagt het originele, linnen kenteken. Zijn kleur, Silver Arrow, is nog steeds de officiële racekleur van Mercedes. „De 190 SL is een tijdloos icoon uit de Duitse automobielgeschiedenis”, vertelt het bordje. „De schitterende lijnen, een comfortabel weggedrag, de solide carrosserie en de betrouwbare techniek maken de SL tot een geliefde, gezochte klassieker.”

Wie denk dat de rest van de collectie dan ook wel uit modellen van het Duitse topmerk zal bestaan, heeft het mis. „Ongeveer de helft bestaat uit Mercedesen, de andere helft dus niet”, vertelt Marcel. „We hebben een hoek ”Jaren ’20-’30”, een hoek ”Sportief en Italiaans”, een hoek ”Engels”, een Hollands hoekje. Bij de samenstelling is niet echt naar merken gekeken. We zochten en zoeken naar auto’s die museumwaardig zijn, die unieke eigenschappen hebben of die interessante verhalen te vertellen hebben. Denk aan de achtergronden van de wagen, van de bedenker en van de vorige eigenaar.”

Geen succes

Een prachtig voorbeeld van zo’n ”auto met een verhaal” is de Benz Patent Motorwagen uit 1886, vindt Marcel. Een replica staat in het midden van de expositieruimte opgesteld. Op 29 januari 1886 ontving de Duitse uitvinder Carl Friedrich Benz patent op deze driewielige ”Motorwagen” en in juli presenteerde hij dit eerste, met benzinemotor aangedreven voertuig. Aanvankelijk was het ding geen succes: het stonk, bleek nauwelijks sneller dan paard en wagen en maakte herrie. De negatieve kijk op de uitvinding veranderde dankzij mevrouw Bertha Benz, vertelt Marcel. „Zij maakte in 1888 de eerste, langeafstandsrit met een auto: 106 kilometer, van Mannheim naar haar moeder in Pforzheim. Ze deed er ‘slechts’ 12 uur over. Pas na aankomst stelde ze haar man op de hoogte van de geslaagde rit. Voor die tijd was het niet mogelijk om in zo’n korte tijd met paard en wagen zo’n lange reis te maken.”

Als je nu, in 2019, naar de Motorwagen kijkt, snap je niet dat je er zo’n eind mee kon rijden. Hij ziet er uit als een houten koets, met twee grote achterwielen, een klein voorwiel, een fietsketting eronder, een bankje voor twee personen op 2 meter hoogte en achterop een soort motor met vliegwiel.

Hoewel de Motorwagen de bezoeker het verst in de automobielgeschiedenis terugvoert, is het niet het oudste object in de tentoonstelling. Marcel: „Ons bedrijf bestaat sinds 1928, dus we hebben al een kleine eeuw de tijd om interessante voertuigen bij elkaar te brengen. De eerste auto waarmee onze opa de verzameling in 1956 startte, was een Hudson uit 1939. Die staat overigens nu niet opgesteld, omdat hij niet in museumtoestand verkeert. De meeste auto’s hier stammen uit de periode 1925-2000. Het grootste deel daarvan is rijdbaar en de rest is vlot op de been te brengen.”

Volgens Marcel zijn bezoekers van het museum overwegend op zoek naar de auto’s van hun jeugd, waarbij ze vervolgens herinneringen ophalen. „Dan hoor je ze zeggen: „Mijn buurman reed er zo een.” Zelf word ik ook het meest enthousiast van modellen uit mijn tienertijd. Neem zo’n Mercedes 190, uit de jaren ’80. Prachtig! Maar ook auto’s uit de jaren ’60 vind ik mooi. Dat was een inspirerende tijd, vooral qua styling.”

In het gastenboek bij de entree vallen inderdaad heel wat nostalgische reacties van bezoekers te lezen. De jongste bezoeker van vandaag –een jochie van een jaar of vijf, dat met zijn oma „oude auto’s” komt kijken– is te jong voor nostalgie. Hij vindt de expositie alleen maar „mooi” en kent nog geen verhalen bij de Mercedesen, Bentleys, Cadillacs en Renaults. Hij zou er wel een willen hebben, maar tot zijn teleurstelling weigert oma er een voor hem te kopen.

Lief, blauw Fiatje

Hoe langer je rondwandelt, hoe gevarieerder de collectie blijkt. Als je de hoek met Mercedesen hebt gehad, blijken er echt nog heel veel andere merken te zijn. De contrasten tussen de verschillende auto’s zijn enorm. Het lijkt wel alsof de samensteller ze expres heeft benadrukt. Zo staat een lief blauw Fiatje 500 met een 2-cilindermotor van 0,5 liter –bijgenaamd ”rugzakje”– naast een grote, witte Mercedes 180D. Diens motorkap staat open. Een paspopmonteur in blauwe overall, compleet met poetsdoek en pet, staat ernaast. Om het beeld compleet te maken staan er glazen brandstofflessen, een stel autobanden, een brandstofpomp en een krik omheen. Achter de voorruit prijkt een authentieke verbandtrommel met het opschrift: ”Kraftwagen - Verbandkasten”. Marcel: „We hebben bewust ook andere objecten dan alleen auto’s neergezet. We willen een goed beeld van een bepaalde periode geven.”

Een ander leuk contrast is dat tussen een Dafje 33 –veel kleiner moet het niet worden!– en een enorme Thunderbird ernaast. De laatste ziet er uit alsof hij 3000 kilo weegt en 1:1 rijdt. Het Dafje stamt uit 1973 en levert slechts 30 pk. Vandaar misschien zijn bijnaam: ”truttenschudder met jarretelaandrijving”. Veel positiever waren de recensenten over de aandrijving van deze opvolger van de Daffodil: hij beschikte over de eerste continu variabele transmissie, Variomatic, beter bekend onder de naam ”het pientere pookje”. Hiermee kon de auto net zo snel vooruit als achteruit rijden.

Oplichtend logo

De Engelse hoek ademt klasse. Ze bevat Jaguars, Bentleys, een Wolseley, Rolls Royces, een Mini en een Anglia: een Engelse Ford. De eerste vier modellen zijn reusachtig, luxe, glimmend met schitterende beeldjes op de motorkap en binnenbekleding die op een troon niet zou misstaan.

De Wolseley stamt uit 1968. Kenmerkend voor het merk is het in het donker oplichtende logo. De auto heeft een houten dashboard met allerlei knopjes en wijzertjes. Niet voor niets was het merk bedoeld voor de ”Upper Class”, vertelt het bordje erbij.

Brandweerbus

In de hoek ernaast hangt een compleet andere sfeer. Daar staan twee knalrode, VW-brandweerwagens opgesteld. Het plaatje wordt gecompleteerd door twee brandweermannen in vol ornaat en een losse pompunit ernaast. Een van de twee wagens is een ”T1 brandweerbus” uit 1954, een wagen die Auto Wüst (VW-dealer van 1947-1967) afleverde aan gemeente Piershil. Op het dak prijken een blauw zwaailicht, een tweetonige luchthoorn, een schijnwerper en een ladder. Voor wie dan nog niet doorheeft dat het om een brandweerbus gaat, vermeldt een wit bord boven de voorruit: ”Brandweer”.

Een van de topstukken van het museum is de Brasier Monob uit 1905. Hij heeft wel wat van de Motorwagen van Benz aan het begin: hij oogt nog steeds als een koets zonder paarden ervoor, maar hij is een heel eind doorontwikkeld. Zo heeft het voertuig 24 pk, tegen de 0,9 pk van de Motorwagen, en heeft de hoge ‘fietszit’ plaatsgemaakt voor een mooie, leren voorstoel en een dito achterbankje. De chauffeur, gekleed in zwart jacquet met hoge hoed en vlinderstrik, staat klaar om zijn passagiers aan boord te helpen.

De Monob ziet er uit alsof hij zeer goed zichtbaar was: hij heeft twee enorme (carbid) koplampen voor de motorkap en ook nog eens twee lantaarns met kaarsen boven de voorwielen. Toch viel die zichtbaarheid tegen, aldus Marcel. „Het duurde een hele poos voordat alles goed brandde en dan nog verlichtten die lampen de duisternis lang niet zo goed als onze huidige systemen. In bepaalde dorpen moest er zelfs iemand voor de auto uit lopen, om te waarschuwen.”

Het museum is inmiddels ruim zeven jaar open. Marcel: „Op de 70e geboortedag van onze vader, op 12 april 2012, is het geopend.” In al die tijd zijn er al heel wat bezoekers langsgekomen: autoliefhebbers, gezinnen, stichtingen, businessclubs. Voor groepen verzorgt Marcel, op aanvraag, rondleidingen. Regelmatig doen auto’s uit de collectie aan historische events en races mee.

Grote toekomstplannen voor het museum heeft Marcel niet. „We zijn niet op zoek naar museumstukken, maar komen weleens iets tegen dat erbij hoort. We blijven de collectie verversen, maar op zoek zijn we zeker niet. En wat betreft de doelgroep: iedereen blijft welkom! We mikken niet op een speciale groep. Iedereen die meer wil weten van de autogeschiedenis tussen 1886 en nu –of een eigen auto zoekt– is van harte welkom!”

>> www.carelwustmuseum.nl.