Commentaar21 juli 2001

Vloekverbod

De fractie van de SGP in de gemeenteraad van De Bilt heeft bakzeil gehaald met het voorstel om een vloekverbod in de algemene politieverordening (APV) op te nemen. De burgemeester vindt zo'n bepaling niet nodig. Volgens hem wordt er ook zonder een vloekverbod tegen normvervagend gedrag opgetreden. Bovendien acht de eerste burger van De Bilt het handhaven van een vloekverbod „moeilijk uitvoerbaar.”

Verschillende andere gemeenten hebben nog wel in hun APV staan dat vloeken niet is toegestaan. Vergeleken met enkele decennia terug is dat aantal minder geworden, maar ze zijn er nog. Niet dat in die gemeenten vloekers door de politie worden opgepakt en achter de tralies worden gestopt. Gemeenten hebben nu eenmaal niet de mogelijkheid een strafbepaling aan een vloekverbod toe te voegen.

Dat valt te betreuren, omdat de ontheiliging van Gods naam de ernstigste overtreding van Gods wet is. Het derde gebod, dat het vloeken verbiedt, is het enige van de Tien Geboden dat vergezeld gaat van een bedreiging: „De Heere zal niet onschuldig houden die Zijn naam ijdellijk gebruikt.” Dat besef is in onze geseculariseerde samenleving grotendeels verdwenen.

Ondanks de realiteit dat de overtreder van een verbod op vloeken niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, is het zinvol en van belang een dergelijke bepaling in de APV op te nemen. Daarmee geeft een gemeente een signaal af naar de burgers dat vloeken niet mag. Een agent van politie kan met een dergelijk artikel in de hand iemand die in het openbaar vloekt of grove taal uitslaat een waarschuwing geven.

Het argument van de burgemeester van De Bilt dat een vloekverbod moeilijk valt te handhaven, is op zijn minst een beetje flauw. Er is een lange rij te maken van bepalingen waarvan de handhaving om uiteenlopende redenen problematisch is. Het feit dat politie en justitie van tijd tot tijd de aanpak van een bepaalde overtreding tot speerpunt maken onderstreept dat nog eens. Bovendien doet de wetgever soms forse uitspraken louter en alleen om daarmee een signaal af te geven.

Alleen al vanwege zo'n signaalfunctie zou een vloekverbod in de APV moeten staan. Elke politicus die mee wil tellen zegt met de mond zich ernstig zorgen te maken over normvervaging. Taalverruwing is daar onmiskenbaar een uiting van. Daarbij zij aangetekend dat de laatste decennia vloeken steeds meer geaccepteerd is in de samenleving. Ook in kringen die zich graag presenteren als de „fatsoenlijke bovenlaag van de samenleving” kalft het taboe op het gebruik van krachttermen af.

Zelfs in orthodox protestantse kring is op dit punt een verschuiving waar te nemen, met name bij jongere generaties. Het toenemend gebruik van de zogenaamde bastaardvloeken is daar een bewijs van. Dat geeft aan dat het besef van de heiligheid van God ook in die kring tanend is. Wanneer de overheid zegt zich zorgen te maken over de normvervaging en de taalverruwing, zou het opnemen van een vloekverbod in de APV een duidelijk signaal zijn.

Tegen het argument van de burgervader is echter nog een belangrijker bezwaar aan te voeren. Hij neemt zijn uitgangspunt in de handhavingspraktijk. Daarmee kiest hij niet alleen een gemakkelijke weg –datgene waarvoor de overheid kans ziet te bestraffen, stelt ze ook strafbaar– maar ook een verkeerde. De overheid is geroepen het kwaad te weren, te beteugelen en te bestraffen. Daarom verdient een vloekverbod een plaats in de APV.