Christen & kunst22 mei 2000

Wat een bouwvakker met kunst moet

Wat is de betekenis van cultuur voor een christen? Hij richt zich op een andere, eeuwige wereld. Waarom zou hij klassieke talen gaan studeren, waarom zou hij zich in literatuur verdiepen of die zelfs schrijven, wat beweegt hem naar het Amsterdamse Concertgebouw of het Rijksmuseum te gaan? De geschiedenis door heeft het christendom gependeld tussen isolement en acceptatie, tussen cultuurmijding en cultuurwijding.

„Lees zulke boeken die u meer tot verootmoediging dienen dan tot onderhouding”, schrijft Thomas à Kempis in ”De navolging van Christus”. „De verstgevorderde vromen vermeden de omgang met mensen, zoveel zij konden, en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.” Geen kunst, geen geleerdheid, geen amusement. Het oog omhoog, het hart naar boven.

Gisbertus Voetius is een andere mening toegedaan. „Dat de wetenschappen, kunsten en talen aangenaam en de mensen zeer nuttig zijn, hebben wij aangetoond”, schrijft hij in zijn ”Sermoen van de nuttigheid van de academiën en scholen”. „Dit is ook het algemene gevoelen geweest van de oude christenen, zoals de oudvaders in hun geschriften tegen de heidenen dit gevoelen ook altijd onder woorden gebracht hebben; zij laakten wel het misbruik van de kunsten en wetenschappen, maar prezen de zaak zelf.”

Twee lijnen
In de hele geschiedenis van het christendom is er sprake van deze twee benaderingen. Altijd is er een stroming die gericht is op het hiernamaals, die vroomheid, vreemdelingschap en wereldmijding benadrukt. En altijd is er een stroming die zich verdiept in cultuur, die de eigen tijd wil leren kennen, die oog heeft voor apologetiek en evangelisatie. Enerzijds de mystici, de kluizenaars, de doopsgezinden, de piëtisten. Anderzijds de kerkvaders, de reformatoren, de theologen die zich bezighielden met polemiek en apologetiek.

Tweeduizend jaar christendom hebben laten zien dat beide lijnen tot op de dag van vandaag naast elkaar bestaan. Toch blijft het verschil vaak oorzaak van spanningen. Niet iedereen heeft de houding van Voetius, die –ondanks het verschil in cultuurvisie– het lezen van Thomas à Kempis van harte aanbeveelt: hij is ná de Heilige Schrift nooit iets krachtigers en godvruchtigers tegengekomen. Ruimhartige cultuurgebruikers beschouwen hun tegenhangers echter maar al te vaak als streng en benepen, en omgekeerd veroordelen piëtistische christenen de anderen die minder streng zijn dan zij.

En dat terwijl toch duidelijk is dat niet iedere christen dezelfde roeping heeft. Niet voor niets doet Voetius zijn aanbevelingen voor het lezen van de klassieken niet vanaf de kansel, wel tijdens zijn colleges. Hij maakt onderscheid: een student heeft de opdracht om de hem omringende cultuur te beschouwen, om zich te verdiepen in de traditie ervan. Maar een timmerman die op zondag onder zijn gehoor zit, heeft die taak veel minder. Da Costa waarschuwt tegen de leesbevordering onder het gewone volk, maar juist zijn eigen elitekring –rondom het Réveil– kenmerkt zich door grote waardering voor zang en muziek, dichtkunst en schoonheid.

Verleiding
Studie van de klassieke en eigentijdse cultuur blijkt altijd gekoppeld te zijn aan het onderwijs. Dat was zo in de tijd van de kerkvaders, in de zestiende en zeventiende eeuw bij de vertegenwoordigers van Reformatie en Nadere Reformatie, dat is op de drempel van de 21e eeuw nog steeds het geval. Vanaf het begin heeft de Kerk de klassieken aanvaard als grondslag van het onderwijs, en dus gekozen voor een profane opleiding. Wie studeert, zelfs wie theologie studeert, kan niet toe met de Bijbel alleen. Om de boodschap van het Evangelie zo goed mogelijk te begrijpen en te vertalen naar de eigen tijd, is kennis van cultuur en traditie onontbeerlijk.

Dat neemt niet weg dat christenen in alle eeuwen de gevaren van de eigentijdse cultuur wel degelijk hebben erkend. Kunsten en wetenschappen kunnen een grote bedreiging vormen. Dat heeft te maken met de macht, met het verleidende karakter ervan. Ze willen de mens kennis, inzicht, levenswijsheid bieden, maar als ze dat doen vanuit het verkeerde perspectief, kan diezelfde mens meegesleurd worden in een antichristelijke gedachtewereld, waaruit hij moeilijk ontkomen kan. De Britse letterkundige C. S. Lewis onderkent het gevaar van zich ongeremd in cultuur onder te dompelen: „Kunst wordt een duivel als het voor ons een god wordt.”

Mag je als christen jezelf op die manier in verleiding brengen? Wat gebeurt er met je, als je je gaat verdiepen in kunst en cultuur? Kan het je dichter bij de Bijbel, bij God brengen als je je rekenschap geeft van de manier waarop een bepaalde kunstuiting afwijkt van het christendom? Of zijn er citaten, beelden, geluiden die je niet meer kwijt kunt raken, die voor altijd je blik op bepaalde geloofswaarheden vertroebelen? Kan het kennisnemen van dergelijke kunst je onherstelbaar beschadigen?

Filistijnen
Dat zijn vragen die in verschillende situaties verschillend beantwoord moeten worden. Een kind van twaalf, een huisvrouw, een bouwvakker zal er anders mee om kunnen gaan dan een arts, een predikant, een docent. Simson hoeft zich niet per se te verdiepen in de cultuur van de Filistijnen: hij heeft genoeg aan zijn kracht. Maar als Paulus op de Areopagus spreekt, dient hij verstand te hebben van de heidense filosofie. Voor het zingen van psalmen en geestelijke liederen is weinig muzikale kennis vereist. Maar voordat Bach zijn grote oratoria schrijft, moet hij zich verdiept hebben in de technieken van de opera. Een tandarts hoeft niets van Picasso te weten. Maar een christendocent die zijn leerlingen wegwijs wil maken op het moeilijke terrein van de cultuur, moet wél kennis hebben van allerlei ontwikkelingen in beeldende kunst en muziek.

De relatie met evangelisatie en apologetiek is onmiskenbaar. De hele geschiedenis door zijn christenen op verantwoordelijke posten de strijd aangegaan met de eigentijdse gedachtewereld. Ze zijn weerbaar, doordat ze die gedachtewereld van binnenuit kennen én toetsen aan de norm van de Schrift. Als gevolg daarvan wijzen ze bijvoorbeeld erotische, heidens-mythologische en godslasterlijke elementen af.

Overigens hebben ze zeker ook waardering voor het goede, het schone of het ware in de seculiere cultuur. Misschien is dat in stilte wel hun belangrijkste motief: ze kunnen het niet laten zich erin te verdiepen, ze streven naar toename van hun inzicht en ervaring, ze zoeken naar zelfkennis, kennis van hun medemensen, naar doorgronden van het bestaan. Dat is immers de zin van cultuur: „Deze moeilijke bezigheid heeft God de kinderen der mensen gegeven om zich daarin te bekommeren.”

Robinson Crusoe
Daarmee hangt samen de ontwikkeling van een eigen, christelijke kunst. Cultureel actieve christenen hebben zich het meest beziggehouden met literatuur, de kunst van het woord, en met muziek, vooral met liederen. Schilderkunst en zeker architectuur hebben lang de status van gewone ambachten gehad, en staan dus op het tweede plan.

Liturgische muziek, kerkarchitectuur, bijbelse poëzie: de kunst als een machtig middel om God eer te bewijzen. Actief gedichten schrijven of schilderijen maken lijkt bovendien voor de christen minder risicovol dan passief kennisnemen van allerlei seculiere cultuuruitingen – ware het niet dat het eerste dikwijls niet zonder het laatste kan.

De kerstening van allerlei van oorsprong wereldlijke genres heeft geleid tot acceptatie van steeds meer kunstuitingen. In de Renaissance wordt de klassieke literatuur ontmythologiseerd en christelijk geduid, bijvoorbeeld bij Revius, Milton of Du Bartas. Het orgel en meerstemmige muziek krijgen een plaats in de kerk, de roman wordt een voertuig voor de bijbelse boodschap en film en toneel worden steeds meer geaccepteerde middelen ter verbreiding van het Evangelie.

Christenen hebben de cultuur ook, al dan niet bewust, beïnvloed. Augustinus en andere kerkvaders leggen de basis voor de christelijke cultuur van de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. In de zeventiende eeuw bepaalt stichtelijke literatuur een kwart van de markt. Daniël Defoe's ”Robinson Crusoe” is schatplichtig aan de ”Christenreis” van John Bunyan en een lange, invloedrijke koraalmuziektraditie voert terug naar Luther en Bach.

Rond 1800 is er in Europa echter sprake van een duidelijke breuklijn in de cultuurhistorie. Hoewel problemen tussen geloof en cultuur altijd een rol gespeeld hebben in de geschiedenis van het christendom, is dat ná de Verlichting in verhevigde mate het geval. Christendom en cultuur gaan gescheiden wegen. De cultuur ontrukt zich aan de christelijke normen en waarden en raakt geseculariseerd.

Daardoor komt het dat christelijke cultuurbeoefenaars vandaag weinig serieus genomen worden. Een christen kan namelijk op geen enkel terrein even ver gaan als zijn ongelovige buurman. Hij stelt zich grenzen, zowel op het gebied van de inhoud als dat van de vorm. De bijbelse normen strekken zich voor hem óók uit over het terrein van de kunst.

Voor de autonome kunstenaar van deze tijd is dat iets wezensvreemds. Ware kunst kent geen grenzen, doorbreekt taboes, shockeert en confronteert. Eerbied voor heilige dingen, dienstbaarheid aan een hogere wet dan die je jezelf stelt, geloof in een absolute waarheid – dat zijn gevoelens waarmee hij niet uit de voeten kan.

Overigens kan in de praktijk de grens voor de ene christen net iets anders lopen dan voor de andere. Was de middeleeuwse theoloog Bernhard van Clairvaux beslist negatief over kunst en benadrukte hij het gevaar van zinnelijkheid van een inhoudslege beeldenwereld, na de Reformatie verschenen gereformeerde bijbeluitgaven met prenten en ging de zeventiende-eeuwse christelijke wereld aan de haal met de schilderijen van Rembrandt. Kritiseerde Erasmus en keurden ook de reformatoren de meerstemmige muziek af –die maar ingewikkeld was, afleidde en op populaire gevoelens inspeelde– Bach componeerde jaren achtereen meerstemmige cantates voor de lutherse erediensten.

Toch zijn de hele geschiedenis door een paar constanten aan te wijzen. Godslastering, erotiek en zinnelijkheid blijven taboes, op alle terreinen, zowel bij het passieve staan in de cultuur als bij het actieve beoefenen ervan. Kunst is niet autonoom, maar onderworpen aan de normen van Gods Woord. In het christendom is daarom geen onbegrensde ruimte voor het vrije spel van de verbeelding.