Kerkelijk Leven

Rechtspositie pastor mag niet botsen met autonomie gemeente

Omdat het ambt ambt moet blijven

Door S. C. Bax
LEIDSCHENDAM – „Hoe de discussie over de rechtspositie van de predikanten op landelijk niveau zich zal ontwikkelen, weten we niet. Maar de kerken moeten heel alert zijn en zich bezinnen op waarborgen om de vrijheid van het ambt veilig te stellen. Omdat het ambt ambt moet blijven. Tegelijk mag aan de autonomie van de plaatselijke gemeente niet worden getornd”.

Ds. A. J. Bijl zette in het laatst verschenen “Nieuws en Informatieblad van de commissie Begeleiding Predikanten en Beroepingswerk” de puntjes op de i waar het gaat over het ambt van predikant. De coördinator van deze commissie sprak zijn zorg uit over de vervagende grens tussen ambt en beroep. Zijn woorden krijgen een diepe betekenis als we ze tegen het licht van recente uitspraken houden.

Drs. P. D. Eenshuistra, de directeur van de hervormde Raad voor predikantstraktementen en pensioenen, sprak reeds eerder in deze krant uit dat de rechtspositie van de predikant wellicht ter discussie komt. Voor de Nederlandse wet is een predikant nu een vrije beroepsbeoefenaar. Het zou wel eens kunnen zijn dat onder een volgend paars kabinet de druk toeneemt om de predikant te verplichten tot een soort werknemerschap. Dat zou direct of indirect tot devaluatie van het ambt kunnen leiden. Echt helder is dat overigens nog niet.

Uitholling
C. G. Dijkstra van Roza Accountants te Veenendaal reageerde op 20 januari tijdens een fiscaal seminar voor predikanten in duidelijke bewoordingen op mogelijke verandering in de rechtspositie: „Als u uw rechtspositie loslaat, haalt u het paard van Troje binnen”. De fiscaal specialist zei dat hij zich niet kon onttrekken aan de indruk dat de overheid probeert predikanten het zogenaamde loonbelastingregime binnen te loodsen wegens voor de overheid voordelige effecten. Nu is het uiteraard de vraag of in directe zin het ambt uitgehold wordt als er een ander belastingregime wordt toegepast. Toch bracht de suggestie inzake een veranderende rechtspositie heel wat pennen en tongen in beweging.

Ds. Bijl was eerder scriba van de provinciale kerkvergaderingen van respectievelijk Drenthe en Zeeland. Met lede ogen ziet hij dat veel jongere predikanten het ambt steeds vakmatiger en zakelijker opvatten. „Met traktementen heb ik overigens niets te maken”, voegt hij er gelijk maar aan toe.

Honderd procent ambt
Het artikel waarin hij zijn visie op het ambt van predikant nog eens uiteenzette, droeg als kop: “De parttime predikant bestaat niet”. „Men draagt een ambt of men draagt het niet. Elke dienstdoende predikant staat voor honderd procent in het ambt”. „Een ambtsdrager is geen ambtenaar”, benadrukt hij, zonder de ambtenaar te willen kwetsen. Een andere kwestie is wanneer een predikantsplaats een beperkte werktijd kent. Want zo heet dat in de kerkorde.

Ds. Bijl trekt de lijn door naar andere ambtsdragers. „Een ouderling is geen parttime ouderling. Dat is hij geen acht of tien of twaalf uur per week maar altijd. Bij het ambt geldt wel heel nadrukkelijk dat “noblesse oblige”, dat adeldom verplicht.

Een ambtsdrager is daarom voor honderd procent ambtsdrager maar hij is niet altijd beschikbaar. In de praktijk blijkt dat kerkenraden de werkdruk nogal eens afwentelen op de predikant, die al dan niet voor een beperkte werktijd aan de gemeente verbonden is. Het ene ambt, in dit geval dat van predikant, draagt dan de nood.

In de Hervormde Kerk gelden dan regels om afspraken te maken over de taken. Hoeveel keer preekt de dominee, geeft hij al dan niet alle catechisaties, gaat hij voor bij begrafenissen enzovoorts. Dat geeft een zekere rechtsbescherming”.

Bescherming
„Dergelijke afspraken beschermen de ambtsdrager. Als een predikant met beperkte werktijd docent is, liggen de zaken helder. Maar als hij of zij erbij studeert, is het ook nodig dat af te schermen en zodoende de predikant te beschermen.

Het hervormde kerkrecht stelt eisen aan het vervullen van het ambt. De Provinciale Kerkvergadering (PKV) bekijkt bijvoorbeeld of in het geval van predikanten in beperkte werktijd de waardigheid niet in het geding komt. Er zijn wel functies te bedenken die niet stroken met de waardigheid van het ambt. Het gaat erom dat het ambt wordt hooggehouden en dat de afgesproken werkzaamheden binnen de overeengekomen tijd zo goed mogelijk worden uitgevoerd. Een goed beleidsplan kan daarbij van dienst zijn”.

De ontwikkeling dat steeds meer predikanten in deeltijd werken, veroorzaakt nogal eens een verzakelijking en een vakmatige benadering. „Het is oppervlakkig bezien beslist geen sterk argument tegen een eventueel centraal werknemersschap voor predikanten. De voordelen daarvan zijn dat men onder het loonbelastingregime valt en dat bij ziekte controle mogelijk is. Dat is nu niet het geval”.

Visie op de kerk
Toch denkt ds. Bijl dat elke mogelijke afspraak inzake de rechtspositie ervaren kan worden als een aantasting van de autonomie van de plaatselijke gemeente. Op de achtergrond speelt natuurlijk ook mee welke ecclesiologie men hanteert, welke visie op de kerk men heeft.

De taak die ds. Bijl en zijn commissie hebben, is dan ook geen bisschoppelijke maar een begeleidende en adviserende. „Dat houdt verband met de visie op de kerk en de daarmee samenhangende autonomie van de gemeente”.

Eigenheid
Ds. Bijl wil zeker niet vooruitlopen op ontwikkelingen betreffende de rechtspositie van predikanten. Wel wil hij een signaal afgeven om de eigenheid van het ambt te benadrukken. De verkondiging mag niet gebonden worden. Dat is de kern van zijn boodschap. Het ambt moet ambt blijven; de gemeente moet haar zelfstandigheid behouden. De rechtspositie mag geen sluitpost zijn waar het gaat om het eigene van de predikant.

De predikant denkt dat een systeem mogelijk is om allerlei afspraken centraal te regelen. Mocht het komen tot een echte verhouding werkgever en werknemer dan moeten er zijns inziens veel zekeringen worden ingebouwd. „Onduidelijk is echter of de overheid zal aandringen op het onderbrengen van de totale beroepsgroep van predikanten in het loonbelastingregime. Daarover zijn de deskundigen het vooralsnog oneens”.