| Kerkelijk Leven |
Ds. Weststrate: Het wasvat predikt reinigingDominee onder het Zeeuwse volkDoor J. M. D. de Heer Het valt niet mee om iets los te laten dat je graag doet. Ik wist me geroepen tot het ambt en voelde me verbonden aan 's-Gravenpolder, waar ik ruim achttien jaar mocht dienen. Maar de gemeente werd me te groot voor een goede ambtelijke zorg. De tabernakeldienst bevat veel lessen, zegt ds. Weststrate. Zo predikt het koperen wasvat het wonder dat er ook voor ambtelijke zonden verzoening is. Leviticus mag een moeilijk bijbelboek zijn, het is rijk aan inhoud. Als je oog krijgt voor de tabernakeldienst, zie je hoe alles heenwijst naar de hogepriester Christus. Bij de inwijding van de priesters werd bloed aan het rechteroor, de rechterduim en de rechterteen gestreken. Zo zijn Gods knechten met oren, handen en voeten verbonden aan de dienst des Heeren. Alleen door het bloed, hoor. Zonder de bloedstorting van de Middelaar zou geen predikant zijn werk kunnen doen. Toen ds. Weststrate in 1979 terugkeerde uit de Verenigde Staten en zich aan 's-Gravenpolder verbond, vroeg ds. K. de Gier hem medewerker van De Saambinder te worden. Ik moest maar een bijbelboek gaan behandelen. Leviticus nog wel. Kunt u geen moeilijker boek opgeven? vroeg ik verbouwereerd. Toch begon ds. Weststrate. Het werd een lange serie, die in mei bij uitgeverij De Groot Goudriaan in boekvorm zal verschijnen onder de titel De Christus gepredikt. Korporaal Het mag wel een wonder heten dat ik in de oorlogsdagen niet omkwam. Verschillende soldaten van de troepen die daar waren gelegerd, sneuvelden. Eigenlijk wilde ik in die tijd alles wel vaarwel zeggen. Het onderwijzerschap, de godsdienst, het verleden. Ik zou vliegenier bij de luchtmacht worden. Maar de Heere kwam me tegen. Weststrate werd toch onderwijzer. Zijn weg liep via Oostdijk en Yerseke naar Borssele. Daar ging de roeping tot predikant steeds zwaarder wegen. Ik sprak er met niemand over en probeerde de stem met al wat in me was tot zwijgen te brengen. De Heere had wel gesproken: Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente (Psalm 40 vers 11), maar ik wilde niet en ik kon niet. Ik vocht totdat ik niet meer kon. Als ds. M. Heerschap, die toen in Borssele stond, informeerde naar mijn werkzaamheden met het ambt van predikant, zweeg ik. Maar toen de dominee naar Canada vertrok, zei hij tegen me: Je wacht niet lang om naar het curatorium te gaan hoor. Doorleefd Na twee jaar studie ging Weststrate het land door om in de vacante gemeenten te preken. Het meeste profijt had ik van ambtsdragers die geoefend waren in het leven der genade, die niet alleen wisten wat in de oudvaders staat, maar het ook doorleefden. Het kon ook anders. Toen ik een keer vanuit de gunning van mijn hart ruim over de geboorte van de Heere Jezus sprak, kreeg ik van een ouderling een scherp afwijzende reactie. Bedroefd ging ik naar huis. Toch zou ik vooral jonge predikanten willen aanraden om Gods volk op te zoeken. Ze kunnen tot onderwijs zijn. Als student kwam Weststrate ook een zondag in Meliskerke. Bij het dankgebed kreeg ik de gemeente zo op het hart gebonden, dat ik moeite moest doen om het niet te laten merken. Van binnen wist ik het: ik zou naar Meliskerke gaan. Bij elk beroep dat de gemeente vanaf die tijd uitbracht, stond ik gedurig angsten uit. Band In de gemeente van St. Catharines woonden veel immigranten uit Zeeland. Ds. Weststrate bleef Zeeuw onder de Zeeuwen. Tijdens huisbezoek kon hij zich soms nog wel bedienen van het Zeeuwse dialect, op de kansel sprak hij Engels of Nederlands. Het deed een jong dooplid opmerken: Wêrom preek je niet hewoon in 't Zeeuws, dan kun we je vee beter verstaen. Fundament Ds. Weststrate weet zich nog altijd nauw verbonden aan de geloofsleer. In onze tijd hoor je nogal eens de roep om ethiek. Dat spreekt jongeren aan. Maar ethiek zonder dogmatiek kan elastiek worden. Het gaat op den duur een fundament missen. Als ds. Weststrate aan het einde van zijn ambtsbediening terugblikt, is er de verwondering dat de Heere telkens doorhielp. De begeerte was er wel, maar het volbrengen vond ik niet bij mijzelf. Toch wilde de Heere het kleine beetje geitenhaar niet verbranden, maar Hij gebruikte het tot de eer van Zijn naam. De vervulling van onze gebrekkige en zondige dienst zal nog komen. In de bruiloftszaal daarboven. Daar zullen Gods knechten uitgediend zijn, om eeuwig uit de grote Ambtsdrager bediend te worden. |