| Financië en Economie | 17 mei 2000 |
Nederlandse immigranten drukken stempel op melkveehouderijHollanders leren Deense boeren lesjeVan onze correspondent De emigranten worden geacht zich aan te passen, maar doen dat slechts tot op zekere hoogte. Dat veroorzaakt irritatie bij de autochtone boeren. Tegelijkertijd moeten de Deense boeren erkennen dat de immigranten goede bedrijfsresultaten behalen. Dit blijkt uiteindelijk van invloed te zijn op de Deense aanpak. Deze conclusie wordt getrokken in een uitvoerig onderzoek dat onder auspiciën van het Deense instituut voor plattelandshistorie is verricht door twee studenten van de universiteit van Kopenhagen. Zeer verrassend Verrassend is dat niet alleen de Nederlanders zich moeten aanpassen, maar dat omgekeerd ook de Denen zich genoodzaakt zien tot aanpassing. Het geloof in de superioriteit van de eigen werkwijze is gaan wankelen. Ook opvallend is het aandeel dat de Nederlandse immigranten sinds omstreeks 1985 tot nu hebben in de Deense melkproductie. Op dit moment zijn er in Denemarken zo'n 10.000 Deense melkveehouders en een kleine 500 Hollandse boeren. Het aandeel van de Hollanders aan de geleverde melkplas is, naar schatting van de auteurs, 7 tot 10 procent. Melkgift Daarbij komt, dat de bedrijven van de Hollandse immigranten gemiddeld groter zijn dan die van de Denen. Het Deense gemiddelde lag vorig jaar op zestig melkkoeien per bedrijf. Voor de Hollanders ligt dat aantal op tachtig. Bovendien ligt de melkgift per koe bij de immigranten hoger. De 'Hollandse' koe in Denemarken geeft ongeveer 7700 kg per jaar, dat is 900 kg meer dan het landelijk Deens gemiddelde. Uit de universitaire analyse blijkt ook dat de immigranten snel na hun komst overgaan tot uitbreiding van het bedrijf. Niets duidt erop dat de belangstelling voor Denemarken als land van vestiging bij Nederlandse melkveehouders aan slijtage onderhevig is. De economische voordelen van de aankoop van een Deens bedrijf gelden nog steeds. De prijsniveaus van grond en productierechten liggen verhoudingsgewijs laag, hoewel er uiteraard anno 2000 meer moet worden neergeteld dan medio jaren '80. Quotumbeurs De studie rekent verder grondig af met de in Denemarken hardnekkig levende mythe dat het land wordt overspoeld door agrarische rijkaards, die goed hebben verdiend aan de verkoop van hun Nederlandse bedrijf. Van de nieuwkomers had 52 procent voor het vertrek helemaal geen bedrijf, maar was in loondienst. Het merendeel van hen (42 procent) werkte zelfs niet eens in de agrarische sector; 10 procent werkte in loondienst op een boerenbedrijf. Slechts 33 procent was in Nederland zelfstandig agrarisch ondernemer en nog eens 3 procent was zelfstandige buiten de sector. De overige 12 procent werkte mee op een agrarisch familiebedrijf of was nog studerende. De potentiële Nederlandse emigranten worden bij de aankoopprocedure geadviseerd door een leger meer of minder professionele bemiddelaars en/of makelaars. Ook vertegenwoordigers van dit 'gilde' zijn door de auteurs ondervraagd. Een niet met name genoemde Nederlandse bemiddelaar (alle ondervraagden treden overigens anoniem op) komt tegen de achtergrond van de eerdergenoemde mythe tot de volgende uitspraak: De arme Hollanders kiezen voor Denemarken. De rijken verhuizen naar Canada. Als men voor geen enkel ander land geld heeft, komt men naar Denemarken. Integreren Sociaal gezien is de integratie (of het gebrek daaraan) een probleem van voorbijgaande aard. De meeste kinderen van de Hollandse immigranten zijn jonger dan 12 jaar en groeien op onder Deense omstandigheden. Vermoedelijk zullen ze zich als volwassenen voelen als een natuurlijk deel van de Deense samenleving, waarbij ze zich alleen door hun naam zullen onderscheiden van de rest. Mede n.a.v. Hollandske landmaend i Danmark bekymring eller beundring? (Nederlandse boeren in Denemarken bezorgdheid of bewondering?), door Lone Jeppesen en Mogens Rostgaard Nissen; Landbohistorisk Selskab, Gl. Estrup; adres: DK-8963 Auning. Tel. 00 45 86 48 34 44. Fax 00 45 86 48 41 82; 208 blz.; prijs Dkr.198 excl. porto. |