Buitenland

Zie ook: Fotopagina

De vuist van Mitch

Door Marie van Beijnum
Met onder zijn buik een wegdek dat kaarsrecht lijkt afgeknipt, ligt Wilfredo daar. Hij kijkt over de rand de diepte in en ontmoet er zijn spiegelbeeld in het stilstaande water. Ziet hij het goed dat zijn gezicht er een paar stippen bij heeft gekregen? Hij knijpt zijn ogen samen en verscherpt zijn blik. Nee, het is de weerkaatsing van de muggen die boven de plas zweven.

De vuist van Mitch lijkt het toch al niet fortuinlijke Midden-Amerika hardhandig op de realiteit gedrukt te hebben. Bloeduitstortingen en kneuzingen bleven niet uit. De orkaan die boven Midden-Amerika leegregende en het grondwater opstuwde, wervelde meedogenloos rond.

Twee weken na de ramp laat Mitch ten minste één natie in ruïnes achter: Honduras. Buurlanden als El Salvador, Guatemala en Nicaragua kampen op iets minder grote schaal met schade, maar ook daar is sprake van catastrofale gevolgen. Mitch heeft niets “gemitched”. Een volk is gewond. De balans is vooralsnog 6420 doden en 11.000 vermisten, bijna 20 procent van de 5,3 miljoen Hondurezen dakloos. Zestig procent van de infrastructuur kapot en 70 procent van de oogsten mislukt.

In materiële zin raakte Manuel Antonio Reyes in één klap nagenoeg alles kwijt. Hij had een boekhandel op de markt, bij de brug die langs het oude presidentiële paleis voert. Alleen het fundament is blijven staan en daar hangt de was te drogen. Immaterieel is hij beter af. Zijn gezin leeft en vond een onderkomen verderop in de straat.

Een jongen staat tot zijn knieën in het om hem heen kringelende bruine water en spoelt met een monotone beweging een plastic zak schoon. Onder toezicht van Manuel graaien kinderen naar bezittingen. In een zinken tobbe worden ze zorgvuldig afgewassen. Grauwe kledingstukken krijgen apart een beurt. Zo vaak, dat het motief weer zichtbaar wordt. „Ik kan dit moeilijk accepteren. Mijn land zal hard moeten werken om dit te boven te komen”, zegt Manuel schouderophalend.

Water wekt ambivalente gevoelens op in Honduras. Water kan een zegen zijn, maar ook een vloek. De 63-jarige Francisco Basila klaagt dat het zeventig dagen zal duren voordat de watervoorziening in de stad Tegucigalpa weer op gang komt. In de stad kan op diverse plaatsen gratis drinkwater worden getapt. Oud en jong staan in de rij en sjouwen met een overgewicht aan klotsende kannen en ketels. In de hotels staat het water op rantsoen. „Niemand kan zonder water, en we moeten er zuinig mee zijn”, stelt gezondheidswerker Heliodoro Hernández Alvarez met gezag. Het groepje vrouwen dat zich om hem heen schaart, knikt instemmend.

Tegen woedend water is niets bestand. Zelfs niet de solide ministeriële panden. Het rijzige gebouw van het Instituto Hondureño de Seguridad Social bijvoorbeeld leek onaantastbaar. Maar het water kroop tot aan de derde verdieping. Het ministerie van financiën wordt leeggeschrobd, evenals de secretarie van woningbouw en publiek krediet. Het archief ligt ter inzage op straat.

Zulema Pavón kijkt naar boven. Daar kwam het gevaar vandaan, toen het regenwater van de bergen en heuvels naar beneden daverde. Er was geen houden meer aan. Zulema woont in de wijk Cerro el Berrinche. Het is de uithoek van Tegucigalpa. Mannen hangen doelloos voor de kroeg. Lege, rooddoorlopen ogen verraden een teveel aan alcohol en lijm. Cerro el Berrinche voelt zich verloren en vergeten door de hulpverleners.

De bewoners durven het risico niet meer te nemen nogmaals tegen de steile, verraderlijke Berrinche aan te bouwen. Ze slapen nu op straat, onder de afdakken van de kramen. Zonder eten, zonder drinken. De autoriteiten gaven de concessie voor nieuwbouw op een stuk grond elders in de stad. Het kan nog wel een jaar duren, sneert Zulema, voordat het zover is.

Alfonsa Herbira valt haar fel bij. Tegen de rookwolken van de achtergrond wekt ze de indruk van een onheilsprofetes. „Waar moeten we heen”, vraagt ze met een stem die stokt van verdriet. Op haar arm zit een ondervoed kind van drie jaar. „Niemand helpt ons hier. We worden vergeten, zoals we altijd worden vergeten”, beschuldigt Alfonsa. De tranen rollen over haar wangen. Het woord echoot na. Vergeten, vergeten.

Centraal-Amerika wordt de achtertuin van Noord-Amerika genoemd. Iedereen heeft daar zijn gedachten bij. Niettemin zijn de Verenigde Staten op grote schaal ingevlogen als om de bittere pil van het verleden te verzachten. Ex-president George Bush en prominente dames als Tipper Gore en Elizabeth Dole betuigden medeleven. Volgende week wordt de rode loper uitgelegd voor first lady Hillary Clinton. Mexico doet mee in de rivaliteit en ook de rest van de wereld laat zich niet onbetuigd.

Het filosoferen over het herstel is begonnen. „Er moeten geprefabriceerde bruggen komen voor Honduras”, vindt de een. „Stedelijke bebouwing zullen we moeten baseren op duurzaamheid”, repliceert een ander. Honduras is arm en president Carlos Flores weet het. „Veel Hondurezen zouden een injectie van zelfbewustzijn best kunnen gebruiken. Ze hebben weinig zelfvertrouwen”, kritiseert “Honduras This Week”.

„Als je iets over Honduras hebt gelezen, weet je meteen dat het land een reputatie heeft op het gebied van corruptie, drankgebruik en verdovende middelen. Dit land moet eerst veranderen. Het moet eerst een beter zelfbewustzijn verdienen. Te beginnen van bovenaf moet iedereen eens beginnen af te zien van smeergelden en omkoopsommen. Wetten mogen worden opgelegd, maar dan zonder de loop van het geweer en mensen die boven en buiten de wet staan. Pas dan wordt Honduras een respectabel land”. Vijftien dagen na de ramp geldt de avondklok. Na negen uur 's avonds is het doodstil inTegucigalpa. Dan heeft alleen de politie vrij spel.

Hoop doet leven, ook in Honduras. Eerst waren er de schok en de pijn. De angst over de dreigende epidemieën als knokkelkoorts, malaria, tyfus en cholera. Ontzetting over de berichten van lijken in de rivieren en de besmettingsrisico's.

Rouw over burgemeester Castellano van Tegucigalpa, die 1 november omkwam toen de helikopter waarmee hij daags na de ramp een vlucht wilde maken, neerstortte. “El Gordito” is niet meer, net als duizenden landgenoten.

Maar in het huis van het verdriet krijgt ook de hoop een plaats. María Patillas (55) wenkt uitnodigend haar woning binnen te stappen. De muren staan overeind, de rest is weggespoeld. Ze leeft hier met haar 90-jarige schoonmoeder en haar kinderen. Ze loopt het 'terras' op en laat zien wat er is gebeurd. Alles onder het huis is weggeslagen door de kolkende Choluteca-rivier. „Ik ben terug bij af, ik heb geen kleding om aan te trekken. Ik heb niets meer”.

De vrouw, die kerkt bij de protestantse Iglesia de Dios, heeft de dominee nog niet op bezoek gehad. Ze heeft een stille troost en grote hoop. „Ik prijs en dank God dat ik geen verliezen in mijn familie heb te betreuren, zoals veel anderen in mijn land. God is met ons, dat is het belangrijkst. God beschermt Zijn kinderen”.