Boekrecensie

Titel: Frits Bolkestein. Portret van een liberale vrijbuiter
Auteurs: Max van Weezel en Leonard Ornstein

Uitgeverij: Prometheus
Amsterdam, 1999
ISBN 90 5333 672 9
Pagina's: 314
Prijs: ƒ 34,90

Recensie door B. J. Spruyt - 2 juni 1999

Journalisten publiceren biografie over „liberale vrijbuiter” in politiek

Van Bolkestein ben
je nooit zeker

Bestaat er zoiets als het mysterie Bolkestein? Volgens Bolkestein zelf niet. Hij was de afgelopen jaren de man die het politieke debat bepaalde. Iedereen verbaasde zich over zijn onverwachte zetten op het politieke schaakbord. Maar iedere poging een waas van mystiek rond zijn persoon te creëren, wees hij resoluut af. Hij was slechts een Amsterdamse koopman die het politieke goud van de straat had opgeraapt dat anderen hadden laten liggen.

Hij gold als arrogant en ongenaakbaar. En hij was het ook. Al bleek dat hautaine bij nader inzien niet meer dan een harnas waarmee deze verlegen en onzekere man een te opdringerige wereld van zich afweerde. Hij hield van afstand. Want distantie schept vrijheid. Kort na het overlijden van de dichteres M. Vasalis, eind vorig jaar, publiceerde hij een brief aan haar. „Zeer geachte mevrouw Droogleever Fortuyn-Leemans” stond er boven die brief. „Vormelijk”, erkende Bolkestein. „Maar ik houd van vormelijkheden. Zij scheppen afstand tussen onszelf en de wereld. Die afstand geeft vrijheid: het kostbaarste dat de mens verwerven kan.”

Afstand biedt dus bescherming. Als politicus kon hij zich niet volledig distantiëren van de media. Hij beantwoordde alleen vragen over de politiek, maar het journaille wilde weten hoe de mens achter de politicus eruitzag. „Die bestaat niet, zei ik dan. Ik toonde wel de kleren, niet de huid.”

Twee journalisten van het weekblad Vrij Nederland, Max van Weezel en Leonard Ornstein, hebben een poging gedaan dicht op de huid van Bolkestein te kruipen. Twee jaar lang voerden zij bij Bolkestein thuis in Amsterdam lange gesprekken. Zij spraken ook met vrienden en bekenden. Hun ruim 300 pagina's lange portret werd vorige week gepresenteerd. Zien we nu meer dan de kleren? Ik weet het niet. Vooralsnog houd ik het erop dat het boek alle hoogte- en dieptepunten uit Bolkesteins carrière nog eens uitvoerig naloopt, voorzien van het commentaar van derden en van Bolkestein zelf, en dat de hoofdpersoon zelf hen ontglipt is.

Geestelijke vrijbuiter
Ik ben de afgelopen vijf jaar in de gelegenheid geweest Bolkestein van nabij te volgen. Ik zag hem in de wandelgangen, hoorde hem tijdens debatten en spreekbeurten, sprak met hem en las zijn vele stukken op de opiniepagina's van de kranten. Ik bewonderde hem. Hij was een markante man, met stijl en karakter. Hij wist iets en leerde veel bij. Dat bijleren resulteerde steevast in een krantenartikel dat de kippen in het Haagse hoenderhok alle kanten deed opstuiven. Wolffensperger was geen partij en Wallage werd steeds emotioneler en begon steeds harder te keffen. Als het stof weer was neergedaald, stond Bolkestein er glimlachend bij: wat had hij nu eigenlijk gezegd? Maar uit de krantenkoppen en de journaals was hij intussen niet weg te slaan geweest.

Toch was je niet zeker van hem. Hoe moest je hem typeren? Als „intellectueel en politicus”? Dat werd veel gedaan en het lag voor de hand. Bolkestein zelf ontkende het natuurlijk. Hij wist dat een intellectueel een geestelijke vrijbuiter is en dat een politicus de belangen van zijn partij dient te behartigen. Wie een intellectueel is, kan daarom geen goed politicus zijn. Vandaar Bolkesteins verzet tegen die typering. Maar NRC-columnist J. L. Heldring noemde het, in november 1997, „natuurlijk onzin” om te ontkennen dat Bolkestein een intellectueel is. Met de grand old man van de Nederlandse journalistiek verschil je niet graag van mening. Natuurlijk, Bolkestein domineerde het debat door kwalitatief hoogstaande bijdragen. Hij was zonder twijfel de meest belezen man van het parlement.

Maar voor dat laatste is niet zoveel nodig wanneer je bedenkt dat vrijwel alle politici uitsluitend kranten en kamerstukken lezen. En hoe stond het nu precies met het intellectuele gehalte van die bijdragen? Ik wist nooit zeker of ik mijzelf mocht toestaan daarvan onder de indruk te komen.

Knoekoe
Die argwaan was ontstaan op de Nederlandse Antillen. Eind 1996 reisde ik in het gevolg van de fractievoorzitters van de vier grote partijen naar Aruba, Curaçao, Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Bolkestein had van tevoren de toon gezet. Hij had Suriname getypeerd als een „roversnest” en de vrees uitgesproken dat de Antillen en Aruba dat ook zouden worden. Zijn kritiek was niet alleen hard maar ook gefundeerd, zo bleek in de loop van die weken. En hij bleef stellig. Hij zou zich niet door zijn gastheren in de luren laten leggen en door verwennerij monddood laten maken. Hun „knoekoepolitiek” zou aan hem niet besteed zijn.

Gelijk fluisterde iedereen: „Knoekoepolitiek! Waar haalt-ie het vandaan!?” De woordkeuze leek een zeker bewijs van de eruditie van deze wereldburger. Ik dacht dat eerst ook, totdat ik 's avonds op mijn hotelkamer een reader met krantenknipsels uit mijn handen liet vallen. De bundel, waarmee ik ook Bolkestein had zien lopen, viel open bij een artikel met het woord ”knoekoe” in de kop. De bron van Bolkesteins eruditie leek mij duidelijk.

NAVO
Het vermoeden dat Bolkestein een snelle lezer was die veel dingen makkelijk oppakte en heel snel allerlei kleine weetjes wist te combineren tot een schijnbaar indrukwekkend betoog, werd daarna alleen maar sterker. De meeste commotie veroorzaakte Bolkestein met een ingezonden stuk in de Volkskrant waarin hij zich uitsprak tegen de uitbreiding van de NAVO met enkele Midden- en Oost-Europese landen. Het zou de stabiliteit in de regio niet vergroten. De toch al zo vernederde Russische beer zou zich alleen maar nog meer getergd en uitgedaagd voelen.

Het kabinet schudde op zijn grondvesten. Bolkestein was opnieuw dagenlang wereldnieuws in Nederland. Maar het was zoals ook Van Weezel en Ornstein in hun boek vaststellen: Bolkestein had niet meer gedaan dan de internationale pers goed volgen. „Bolkestein zei niet veel meer dan ook op de opiniepagina's van ”The New York Times” en ”The Washington Post” had gestaan. Sommige passages in zijn stuk waren bijna identiek aan de formuleringen die Amerikaanse columnisten en strategische experts hadden gebruikt.”

Met het aanjagen van dit soort debatten was Bolkestein ondertussen een uiterst succesvol politicus geworden. Hij leek zelfs op een eclatante overwinning bij de verkiezingen van mei 1998 af te stevenen. Bij de presentatie van zijn biografie, eind vorige week in Den Haag, is Bolkestein op zijn eigen succes ingegaan. Het was eigenlijk helemaal geen helder verhaal. Maar twee opmerkingen waren het waard te noteren.

De eerste was zijn opvatting dat er twee theorieën zijn om het politieke gewoel te verklaren: de samenzwerings- en de chaostheorie. In het eerste geval gaat men ervan uit dat achter alle gebeurtenissen een strategie, zoniet een complot schuilgaat. In het tweede geval gelooft men dat alles de uitkomst is van een toevallige samenloop van omstandigheden. Bolkestein hangt de tweede theorie aan. Als de felle discussie over het asieldebat dat Bolkestein begin 1995 ontketende, in het boek van Van Weezel en Ornstein historisch correct is weergegeven, is die discussie in ieder geval een bewijs voor Bolkesteins stelling.

Grote ondernemers
De tweede was zijn overtuiging dat historische omstandigheden sterker zijn dan personen: „Individuele mensen zijn van slechts marginale betekenis.” Bolkestein lichtte dit toe met de opmerking dat de openbare mening de grondstof van de politiek is. Een politicus moet daarom goed naar de werkelijkheid kijken en het speelveld van de politiek veranderen door wat hij ziet en hoort –de openbare mening– te vertolken. Als hij dat goed doet, kan zijn bijdrage een bepaald kristallisatiepunt bereiken. Zijn woorden krijgen dan een „enorme portée” en „zelfs meer betekenis dan ze in werkelijkheid hebben.”

Op dat laatste had Bolkestein zich vaak beroepen. Telkens wanneer zijn opmerkingen weer een rel hadden veroorzaakt, beweerde hij eenvoudig dat hij eigenlijk niets bijzonders had gezegd. Die relletjes bezorgden hem bekendheid en populariteit. Maar soms werden mensen er een beetje moe van. Bolkestein blaft wel maar bijt niet door, luidde de kritiek. NRC Handelsblad sprak smalend van Bolkesteins voetzoekerliberalisme.

In ieder geval had Bolkestein een eventuele nederlaag van tevoren al gerationaliseerd. En die nederlaag kwam. Dat wil zeggen, Bolkestein verloor de nek-aan-nekrace met de zittende premier Kok. De analyse van de oorzaak daarvan vormt een van de boeiendste gedeelten van het boek van Van Weezel en Ornstein. Zij wijzen op Bolkesteins impopulariteit bij de grote ondernemers. Omdat Bolkestein vond dat hij mocht zeggen wat hij vond, aarzelde hij ook niet om op de tenen van de ”captains of industry” te gaan staan. Met als gevolg dat die ondernemers bij PvdA en D66 gingen lobbyen om te voorkomen dat Bolkestein premier zou worden.

Europese Commissie
Bolkestein verspilde tijd en energie met het aanjagen van een discussie over het verleden van oud-communisten. Interessant, maar electoraal niet aansprekend. Bolkestein wachtte bovendien te lang met het bekendmaken van zijn ambitie om premier te worden. Hij wist dat Kok populairder was. Daarom koos hij ervoor de kiezers voor te spiegelen dat ze bij een stem op de VVD Wim Kok er als premier bij zouden krijgen. Die tactiek was niet vol te houden. Pas na lang aandringen gaf Bolkestein duidelijkheid. Dat bevestigde het beeld van een zekere onbetrouwbaarheid: Bolkestein had wel een grote mond maar weigerde verantwoordelijkheid te dragen. Die incidenten grepen in op het kerende politieke tij dat ervoor zorgde dat het liberalisme in de tweede helft van de jaren negentig over zijn hoogtepunt heen was.

Na de verkiezingen, die de VVD overigens wel een recordaantal van 38 zetels opleverde, gaf Bolkestein het fractievoorzitterschap op –eerder trouwens dan hij aanvankelijk wilde– en verdween in de achterste kamerbankjes. Daar bereidt hij zich nu voor op een post in de Europese Commissie, naar hij de afgelopen weekwisseling voor het eerst zelf bekende.

Daarom is dit artikel in de verleden en hier en daar zelfs in de voltooid verleden tijd geschreven. En als hij straks weg is, moet de conclusie wellicht luiden dat Bolkestein een politicus was die het geluk heeft gehad dat hij uit kranten en tijdschriften die onderwerpen selecteerde die tot zijn eigen verbazing aansloegen bij de kiezers. Die zelf heel goed begreep dat dat succes op toeval berustte. Dat was althans de theorie die hij ervoor bedacht. Als hij zou falen, zou zijn theorie ook dat verklaren. In beide gevallen had hij zich beschermd tegen de buitenwereld. En zo zijn we toch weer terug bij zijn verlegenheid en onzekerheid. Maar ook dat is niet zeker.