Boekrecensie

Titel: Alledaagse idealen
Auteur: Daan Bronkhorst
Uitgeverij: Jan Mets
Amsterdam, 1998
ISBN 90 5330 253 0
Pagina's: 176
Prijs: ƒ 24,50

Recensie door mr. S. de Jong - 9 december 1998

Verdedigers van de mensenrechten voor voetlicht

Alledaagse idealen krijgen een gezicht

In eeuwen gemeten komt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens pas net om de hoek kijken. Bij de viering van het vijftigjarige bestaan ervan blijkt toch dat deze loot aan de mensenrechtenboom op oude wortels kan bogen. Daan Bronkhorst beschrijft in “Alledaagse idealen” personen door de eeuwen heen die abstracte ideeën een praktisch gezicht gaven.

Niet alleen de rechten, maar ook deze voorvechters ervan hebben schriftelijk erkenning gekregen. In april van dit jaar namen de Verenigde Naties een verklaring aan die hen het volste recht geeft voor de fundamentele beginselen van rechtvaardigheid in de bres te springen. „Voor het eerst werden die verdedigers, misschien wel de meest bedreigde mensensoort, door de gemeenschap van staten erkend”, stelt Bronkhorst tevreden vast.

Zinnebeeld
De auteur onderscheidt vijf fasen in de geschiedenis van de mensenrechten. In de eerste fase ontstaat het besef dat een rechtsstaat noodzakelijk is, waarop tijdens de tweede fase de gedachte veld wint dat binnen die staat eenieder over onvervreemdbare rechten beschikt. De derde fase betekent aandacht voor kwetsbare groepen binnen de samenleving, die extra bescherming behoeven. Vervolgens laat de vierde fase zien dat voor de verwezenlijking van rechten een actieve betrokkenheid van medemensen is vereist. De vijfde en voorlopig laatste fase betekent de ontwikkeling van de universele idee van mensenrechten.

Uit iedere periode belicht Bronkhorst een of meer in het oog springende personen. Uiteenlopende figuren als de Griekse staatsman Solon, de Spaanse dominicaan Bartolomé de Las Casas, de Chinese dissident Fang Lizhi en de Nigeriaanse schrijver Ken Saro Wiwa krijgen beknopte aandacht. De keus blijft tot achttien personen beperkt, waarbij ieder stellig een grote rij niet genoemde medestrijders vertegenwoordigt.

Van lang niet alle beschreven personen geldt dat zij een tragische levensloop kenden. Zo wel de Poolse Jood Henryk Goldszmit. Zijn naam staat op een van de zeventienduizend stenen die samen in het vernietigingskamp Treblinka een monument vormen, opgetekend. De stenen liggen daar, „als zinnebeeld voor alle dorpen, steden en landen waaruit een miljoen mannen, vrouwen en kinderen werd aangevoerd om hier te sterven. Door de stenen loopt het pad waarlangs de aangekomenen, naakt, naar de gaskamers werden gedreven”. Goldszmit, beter bekend onder het pseudoniem Janusz Korczak, had in Warschau kunnen blijven. Maar voorvechter van de rechten van het kind die hij was, wenste hij met zijn weeskinderen te sterven, toen hun zelfs het leven niet werd gegund.

Hoewel Amnesty International-medewerker Bronkhorst ingetogen schrijft, gaat hij niet om het gebruik van voorbeelden heen. Bij het vernemen van schendingen van de mensenrechten rijst onbegrip hoe het toch mogelijk is dat mensen elkaar zo gruwelijk kunnen behandelen. „Van nature geneigd God en mijn naaste te haten”, houdt ons de catechismus voor.

Emotionele betrokkenheid
De notie dat Gods Woord ook op dit terrein gezaghebbend is, ontbreekt overigens in het hele concept van mensenrechten. Het universele karakter van mensenrechten maakt korte metten met zogenaamd cultureel bepaalde, afwijkende factoren. Een voorvechtster uit de achttiende eeuw van de rechten van de vrouw als Mary Wollstonecraft kan passages uit Genesis en de eerste brief aan Korinthe over de positie van man en vrouw zodoende simpelweg als „nonsens” afdoen. Maar de UVRM, hoe verdienstelijk ook, komt geen gezag boven de Bijbel toe.

Daan Bronkhorst biedt een interessante blik op de drijfveren van de besproken verdedigers. „Misschien ligt in de emotionele betrokkenheid de grootste uitdaging voor de toekomst van de mensenrechten”, schrijft hij. Eleanor Roosevelt, drijvende kracht achter de UVRM, was zich dat bewust. In 1958, tien jaar na de aanvaarding, schreef ze: „Waar beginnen de universele mensenrechten? Op kleine plaatsen, dicht bij huis – zo dichtbij en zo klein dat ze op geen enkele kaart van de wereld kunnen worden gezien. Als deze rechten daar geen betekenis hebben, hebben ze weinig betekenis nergens anders”.