Boekrecensie

Titel: De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot
Auteur: Jan Willem Stutje

Uitgeverij: De Bezige Bij
Amsterdam, 2000
ISBN 90 234 3908 2
Pagina's: 610
Prijs: ƒ 59,50

Recensie door P. Chr. van Olst - 10 mei 2000

Stutje graaft diep in het tragische leven van Paul de Groot

Stalinist tot in het graf

Paul de Groot, de grootste communist die Nederland kende, leefde van zijn ideologie. Hij werd geboren toen het marxisme een politieke stroming werd (1899), raakte geëngageerd toen in Rusland de bolsjewieken de macht grepen, beleefde zijn bloeitijd tijdens de beginjaren van de Koude Oorlog en stierf, eenzaam en door zijn kameraden verlaten, drie jaar voordat in Berlijn het IJzeren Gordijn scheurde (1986). Tot in het graf bleef hij overtuigd stalinist. De Groot kón zijn geloof niet opgeven.

Met de kennis die we vandaag de dag hebben, zouden alle gewezen communisten moeten bekennen dat zij fout zijn geweest, zei de grote Nederlandse liberaal van deze dagen, Frits Bolkestein, toen hij nog als VVD-leider in de Tweede Kamer zat. Er zijn oud-communisten die dat kunnen. Zo schaamde GroenLinks-leider Rosenmöller zich niet openlijk te erkennen dat hij zich bedrogen voelt door de ideologie waarvoor hij vroeger warme gevoelens koesterde.

Er zijn echter ook oud-communisten die grote moeite hebben met een dergelijke schuldbekentenis. Zij voeren aan dat ze onwetend waren van de schanddaden die in naam van hun ideologie zijn gepleegd of houden vol dat het communisme door mensen als Stalin en Mao op een verkeerde manier ten uitvoer is gelegd. Er zijn er echter ook, die eenvoudig blind zijn gebleven voor alle feilen en die volhouden dat kritiek slechts voortkomt uit de vijandschap van het kapitalisme. En dan zijn we waarschijnlijk bij Paul de Groot.

Waarschijnlijk, want hij leeft al vijftien jaar niet meer. Duidelijk is wel dat De Groot tot het bittere einde vasthield aan de 'waarheid' van het communisme. Sterker nog, De Groot was en bleef overtuigd stalinist. Luttele jaren voor zijn dood schreef hij nog een manuscript getiteld ”Stalin-overdenkingen”, waarin hij een „even onvoorwaardelijke als openhartige verdediging van Stalin en het stalinisme” neerlegde. „Ik ben in deze vervelende tijd weer eens Stalin gaan lezen”, aldus De Groot. „Hij is verbluffend van helderheid.”

De ”Stalin-overdenkingen” worden geciteerd in ”De man die de weg wees”, een biografie over Paul de Groot van de hand van Jan Willem Stutje. In het boek gaat Stutje op zoek naar een antwoord op de intrigerende vraag hoe De Groot in het jaar 1986 nog kon sterven als overtuigd stalinist. Omdat elke rationele verklaring al op voorhand tekort lijkt te schieten, graaft Stutje diep in de psyche van de man die decennialang het gezicht van het communisme in Nederland bepaalde. Dat brengt hem op één belangrijke verklaring, een oorlogstrauma, én op een verklaring die tussen de regels van zijn geschrift door naar voren komt.

„Loop, jongen”
Paul de Groot was in de Tweede Wereldoorlog in dubbel opzicht een aantrekkelijke prooi voor de Duitse bezetter. Hij was leider van de in Duitsland zo gehate communisten en bovendien van Joodse origine. Rachel Sealthiël bracht hem op 19 juli 1899 in de zogeheten ”Jodenhoek” van Amsterdam ter wereld. Zijn vader, Jakob de Groot, was daar werkzaam als diamantbewerker.

Het hoofdstuk ”De moeilijke jaren van de oorlog” leest daarom als een voortdurende klopjacht op De Groot, die in verband met het partijverbod voor de CPN al snel moest onderduiken. Diverse keren wist de Joodse communistenleider bij razzia's op het nippertje te ontsnappen. Zo ook in de tragische nacht van 14 op 15 oktober 1942, toen De Groot zijn vrouw Sally en zijn dochter Rosa kwijtraakte.

De fanatieke NSB'er Cees Heil, een felle antisemiet, was in Gorssel op Jodenjacht, omdat het in de Veluwse gemeente „een grote bende, niets dan Joden en zwarte handel” zou zijn. Tijdens de razzia overvielen Heil en zijn kornuiten onder meer het onderduikadres waar de De Groots zich schuilhielden. Paul werd van zijn bed gelicht en moest tegen de muur gaan staan, terwijl Sally en Rosa van de vliering werden gehaald.

Terwijl hij daar stond, zag hij dat de knip die aan de binnenzijde van de deur bevestigd zat, weggeschoven was. Paul waagde zijn kans en vluchtte op blote voeten. „Loop, jongen, loop”, riep zijn vrouw hem nog na. In het nabijgelegen bos wist hij de achtervolgers van zich af te schudden. Alleen vervolgde hij zijn weg, op zoek naar een nieuw schuiladres.

Niet Joods
Hoe kan een man vluchten terwijl hij weet dat zijn vrouw en kind achterblijven in de hand van de vijand? Paul de Groot, zo stelt Jan Willem Stutje, dacht dat Heil en de zijnen het uitsluitend op hem hadden gemunt. Hij was immers de leider van de gehate communisten? Dat hij daarnaast, net als zijn vrouw en dochter, ook Joods was, daar dacht hij niet aan. De Groot voelde zich niet Joods en ging er bovendien van uit dat Joden ook in het Derde Rijk wel een redelijk bestaan zou zijn beschoren.

Dat De Groot zich niet Joods voelde en liever niet aan zijn afkomst werd herinnerd, heeft te maken met de afkeer van de Joodse godsdienstoefeningen in de synagoge, die hij al in zijn prille jeugd van zijn vader meekreeg. Jacob de Groot brak met de Joods-godsdienstige cultuur en meed de synagoge „uit een religieus, maar meer nog uit een sociaal protest.”

Daarbij maakte Paul de Groot de inschatting dat Joden op een fatsoenlijke manier zouden kunnen integreren in het rijk van Hitler. Stutje: „Het milde antisemitisme en het gevoel van veiligheid kan De Groot bij de inval van 1940 en zelfs nog maanden daarna minder alert hebben gemaakt voor de dreigende gevaren. Van het radicale antisemitisme dat door de Hitler-staat werd aangemoedigd, kon hij zich praktisch geen beeld vormen.”

Dat zijn vrouw en kind meegenomen zouden zijn als gevolg van hun Joodse identiteit, daar dacht De Groot niet aan. Wel bleef hij zitten met een knagend schuldgevoel. Had hij, als communistenleider, niet alléén onder moeten duiken? Was het egoïsme dat hij zijn vrouw en kind bij zich wilde hebben? Had hij hen onnodig in gevaar gebracht? De Groot, aldus Stutje, werd overweldigd door wroeging.

Uit een tweetal brieven aan Sally en Rosa, die Stutje integraal in zijn boek heeft opgenomen, blijkt hoezeer de onzekerheid over hun lot Paul de Groot heeft aangegrepen. „Dag en nacht leef ik in de hoop jou en ons zoete meisje levend terug te zien”, schrijft De Groot. „Alleen die hoop houdt me staande. Daardoor hecht ik fanatiek aan het leven, het is mijn enige houvast om vol te houden, hoe moeilijk het hier ook is.”

De CPN-leider zou ze echter niet meer terugzien. Maanden later werd zijn oorlogstrauma gecompleteerd door het verschrikkelijke bericht dat Sally en Rosa op 3 november 1942 in Auschwitz waren vermoord. Het is dit oorlogstrauma dat hem tot communist voor het leven maakte, meent Stutje.

Zinloos offer
„De feiten wijzen uit dat de twee vrouwen als Joden gearresteerd werden”, aldus Stutje. „Beide vrouwen werden onmiddellijk via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. De Groot ging aan die realiteit voorbij. Als Jood vervolgd worden doemde tot machteloosheid. Als communist had men het lot in ieder geval nog in eigen hand. Vervolging kon begrepen worden als deel van de politieke strijd: een gedachte die de wereld, en dus ook het kwaad en het lijden, ordelijk en begrijpelijk maakte. De overtuiging dat Sally en Rosa geen willoze slachtoffers waren van nazistische rassenwetten, hielp De Groot zijn waardigheid in stand te houden. Het lijden werd erdoor verzacht, maar het versterkte wederom de behoefte zijn levensbeschouwing tot alle prijs te verdedigen.”

In een slotbeschouwing verwoordt Stutje de relatie tussen het trauma en de standvastige verdediging van het stalinisme nog duidelijker: „De Groot was achteloos en roekeloos geweest in het verdedigen van zijn ideaal; hij had er met het verlies van zijn dierbaren voor betaald. Toegeven dat de verdediging van dat ideaal de verdediging van een onmenselijke dictatuur inhield, zou het offer zinloos hebben gemaakt. Hitler zou alsnog gewonnen hebben.”

De beschrijving van Stutje doet denken aan een psychologische analyse die de Joods-Amerikaanse schrijver Chaim Potok in zijn boek ”Omzwervingen”, dat gaat over de geschiedenis van het Joodse volk, ten beste geeft. Potok is dan op zoek naar een verklaring voor de weinig voor de hand liggende moord van prins Mozes op een Egyptische slavendrijver. „Dit is wat er gebeurt”, aldus Potok, „een man volvoert in een opwelling, onnadenkend, een heldhaftige of afschuwelijke daad en is daarna het grootste deel van zijn leven bezig zichzelf te doorgronden, te zoeken naar de geheime bron van zijn daad. Dikwijls is er geen andere bron dan de irrationaliteit, die onderaardse oceaan. Dikwijls verzint hij een bron, die dan zijn breekbare reddingsboei van rede vormt.”

Nederlandse Stalin
De traumatische herinneringen uit de oorlog hebben Paul tot op zijn sterfbed intens beziggehouden, toont Jan Willem Stutje aan. In zekere zin bevredigt deze analyse als verklaring voor het vasthoudende stalinisme van De Groot. Toch moeten meer factoren een rol hebben gespeeld. Dat blijkt ook wel uit het boek van Stutje. Hoewel de biograaf het niet met zoveel woorden zegt, springt De Groot naar voren als de Nederlandse Stalin zelve.

Met andere woorden: Paul de Groot had zijn gehele identiteit uitgeleverd aan de ijzeren Sovjetleider. Hij leefde in hetzelfde voortdurende wantrouwen jegens alles en iedereen, gebruikte dezelfde grove technieken om tegenstanders uit te schakelen –zij het dan binnen de wettelijke kaders die Nederland kent– en gedroeg zich, voorzover mogelijk, op eenzelfde dictatoriale wijze. Ook die wetenschap verschaft inzicht in De Groots sinistere overtuiging dat Stalin en het communisme nimmer fout zaten.

Treffend zijn de overeenkomsten tussen De Groot en zijn grote voorbeeld in 1949. Het was het jaar waarin de hele communistische wereld stilstond bij de zeventigste verjaardag van Stalin en de hele CPN bij de vijftigste verjaardag van De Groot. Beider roem was op dat moment tot een absoluut hoogtepunt gestegen. Stalin werd geroemd, bejubeld, vergoddelijkt zelfs. De Groot kreeg in Nederland alle lof om het ongekende succes van zijn CPN, die bij de kamerverkiezingen van 1946 meer dan 10 procent van de stemmen had gehaald. Stalin heette „de grote leidsman” en „de eerste vredesstrijder”, De Groot werd gekenschetst als profeet, rechter en verlosser tegelijk.

Verbluffende macht
Moskou betekende in die dagen alles voor Paul de Groot. Via de Komintern (de Communistische Internationale) was de CPN verbonden aan de CPSU, de Partij in de Sovjet-Unie. De macht van de CPSU, via de Komintern, over alle communistische partijen in West- en Oost-Europa was verbluffend. Dat De Groot in de jaren dertig partijleider werd, had hij slechts te danken aan de steun uit Moskou. Dat hij sinds die tijd veertig jaar lang aan het roer van de Communistische Partij stond en na de oorlog 21 jaar in de Tweede Kamer zat, eveneens.

Reden voor de voorkeur van Moskou voor Paul de Groot vormde zijn strijd tegen het syndicalisme, de stroming die, met Lenin en Marx, een mondiale revolutie van het proletariaat bepleitte. Stalin, en met hem De Groot, was tot de conclusie gekomen dat in elk afzonderlijk land de kans op machtsovername te baat moest worden genomen. Die overeenkomst hielp De Groot een handje. Met hulp van Moskou wist hij syndicalisten als Sneevliet, Bouwman, Henriëtte Roland Holst en De Kadt het zwijgen op te leggen en hen uiteindelijk zelfs uit de partij te wippen. En passant mangelde hij ook het oude partijbestuur, met Wijnkoop aan het roer, dat in de ogen van Moskou tekort was geschoten.

In het voordeel van De Groot sprak verder zijn gevecht tegen de trotzkisten, de aanhangers van Leon Trotski, die in de Sovjet-Unie de bittere machtsstrijd om de opvolging van Lenin had verloren van Stalin. Ook hier overeenkomst tussen Stalin en De Groot. „De praktische Stalin won de strijd, omdat hij beter in staat bleek dan de briljant intellectuele Trotski om de marxistische leer te vertalen naar de Russische realiteit”, aldus het geschiedenisboek ”A History of Western Society”. Net als Stalin was De Groot een man van de praktijk, geen intellectueel, maar wel slim, populistisch en gemeen.

Knoeisjef
Op het toppunt van zijn communistische carrière had De Groot alles wat zijn hart begeerde. Roem en aanzien, geld en macht uit Moskou –hij werd van middelen voorzien zoals vooraanstaande partijmensen in Rusland– en een ongekende zeggenschap in zijn eigen partij. Zo ging zijn bijna-waanzinnige analyse dat de Zeeuwse watersnoodramp van 1953 een Amerikaans-Duitse poging was om de Scheldemond te bezetten, voor grote wijsheid door.

De dood van Stalin in 1953 betekende echter het begin van het einde voor De Groot. De destalinisatie van Stalins opvolger Chroestsjov –die hij minachtend ”Knoeisjef” noemde– deukte zijn goede verhouding met Moskou. De zogeheten ”destalinisatierede” die de nieuwe Sovjetleider in 1956 hield, was zo onthullend over de praktijken van Stalin, dat De Groot het niet kon verdragen. In alle communistische partijen in Europa laaide de discussie op, maar niet in de CPN, waar De Groot de teugels strak hield.

Verguisd en vereenzaamd verliet De Groot in 1977 het politieke toneel, alles en iedereen beschuldigend van de herhaalde en tegelijk immens grote verkiezingsnederlaag van dat jaar. Zelfs zijn beste vrienden joeg hij in die laatste tijd met zijn ongecontroleerde woedeaanvallen en aantijgingen nog tegen zich in het harnas. Bij zijn begrafenis in 1986 hoefde er slechts één volgauto te rijden.

Open vraag
De biografie van Jan Willem Stutje over Paul de Groot, een buitengewoon gedetailleerd en soms wat chaotisch werk, biedt een verrassende inkijk in de diepere beweegredenen van een verblind stalinist. Bovendien vertelt het veel over het communisme en stalinisme in de Nederlandse verschijningsvorm. Een vraag die het boek openlaat, is die naar de beweegredenen van De Groots ondergeschikten in de CPN. Waarom toonden zij zich zo bang voor hun leider? Waarom bleven zij hem zo dikwijls trouw? En waarom hielden zij hun stalinist zo lang in het zadel?