Boekrecensie

Titel: De oorgetuige. Vijftig karakterschetsen
Auteur: Elias Canetti
Uit het Duits vertaald door Tom Graftdijk

Uitgeverij: Athenaeum–Polak & Van Gennep
Amsterdam, 2001
Pagina's: 102
Prijs: ƒ 25,-

Recensie door dr. Hans Ester - 20 juni 2001

Absurde en rake karakterschetsen van Canetti

De Duitstalige schrijver en Nobelprijswinnaar Elias Canetti is altijd gefascineerd geweest door het verschijnsel mens. Zijn ”De oorgetuige. Vijftig karakterschetsen” bevat rake én absurde typeringen.

Canetti werd in 1905 als kind van sefardisch-Joodse ouders geboren in een Turkse stad die thans tot Bulgarije behoort. Na de dood van zijn vader vestigde het gezin zich in Londen, daarna in Wenen en vervolgens in Zürich.

De oorlog overleefde Canetti in Londen. Hij ontving de Nobelprijs voor literatuur in 1981 en stierf in 1994. De stad Zürich liet hem in een eregraf begraven, pal naast James Joyce. Canetti is tijdens zijn mobiele leven met grote delen van Europa intiem vertrouwd geraakt.

Als een rode draad loopt door zijn werk de fascinatie voor sociale verschijnselen die mensen tot groepen maken. Vanuit zijn maatschappelijke observaties kwam Canetti tot gedachten over de aard van de moderne massamens. Zijn boek ”Massa en macht” gaat over dit onderwerp en Canetti verwierf er wereldfaam mee.

”De oorgetuige. Vijftig karakterschetsen” heb ik met gemengde gevoelens gelezen. Ik verwachtte rake typeringen van mensen, mogelijk eenzijdig en overdreven, maar toch herkenbaar. Daarvan zijn er onder de vijftig karakterschetsen zeker verschillende aan te treffen. Wat mij echter in vele andere hoofdstukjes in verwarring bracht, was de groteske volharding waarmee zogenaamde ”karakters” worden beschreven die voor mij schimmig of irritant gezocht blijven. Alsof een valse toon maar blijft doorklinken. Wat moet ik met ”De geurensobere”, ”De mannenprachtige” of ”De pannetje-vetspeler”? Uit plichtsbesef heb ik deze hoofdstukken gelezen, maar ze blijven me tegenstaan, ook door hun in het Nederlands geforceerd en melig klinkende titels.

Mijn geringe enthousiasme is de ene kant van de medaille. De andere kant is dat ik bij sommige typeringen overrompeld werd door hun scherpzinnigheid. Absoluut in de roos is ”De hebhoudster” met het volgende slot: „De hebhoudster krijgt een brief en laat hem een paar dagen ongeopend liggen. Ze legt zo'n brief voor zich neer op tafel en droomt dat er veel meer in zit. Ze is ook een beetje bang dat er minder in zit, maar dat is nog nooit voorgekomen en daar met de tijd alles stijgt, blijft ze zitten wachten en hopen dat er meer in zit.”

Uitstekend vind ik ook het hoofdstuk ”De roemonderzoeker”, dat genadeloos als volgt begint: „Al sinds zijn geboorte weet de roemonderzoeker dat niemand beter is dan hij. Misschien wist hij het daarvóór ook al, maar toen kon hij het nog niet zeggen. Maar nu is hij welbespraakt en hij wil met alle geweld aantonen hoe onrechtvaardig het in de wereld toegaat. Elke dag vliegt hij de krant door op zoek naar nieuwe namen, wat heeft díé daar te zoeken, schreeuwt hij woedend, die was er gisteren nog niet! Dat is toch niet in de haak, dat zo iemand plotseling de krant binnensluipt?”

Dit is in mijn ogen zeer humoristisch en legt ons aller ijdelheid via de overdrijving bloot. Zulke delen als de zojuist genoemde nemen mijn ergernis volledig weg, maar dat is jammergenoeg slechts tijdelijk. Dit is zeker niet Canetti op z'n best.