Boekrecensie

Titel: Het mysterie van de identiteit. Een analytisch-wijsgerige studie
Auteur: René van Woudenberg

Uitgeverij: Sun
Nijmegen, 2000
ISBN 90 5875 041 8
Pagina's: 126
Prijs: ƒ 29,50

Recensie door dr. P. C. Oele - 9 mei 2001

Wijsgerig onderzoek van Van Woudenberg naar identiteit

Ben ik vandaag dezelfde als gisteren?

Er zijn veel mysteries binnen onze werkelijkheid, waar de mens over nadenkt en waarop hij greep wil krijgen. Een van deze mysteries is de identiteit. René van Woudenberg schreef er een analytisch-wijsgerige studie over met de titel: ”Het mysterie van de identiteit”.

In ”Het mysterie van de identiteit” denkt Van Woudenberg na over de vraag of materiële objecten als stenen, planten en andere dingen, en personen door de tijd heen aan zichzelf gelijk zijn gebleven. Enkele van die vragen zijn: Is de kist waarin Hugo de Groot ontsnapte dezelfde als die nu nog op slot Loevestein te zien is? Ben ik wel dezelfde persoon als degene die toen en toen daar en daar geweest is? Is de dood de vernietiging van de menselijke persoon? Is de persoon in de beklaagdenbank dezelfde persoon als de misdadiger X?

De auteur is van mening dat over de identiteit van dingen en personen, hoewel dit een mysterie is, toch op een zinnige manier filosofisch is na te denken. Hij kiest daarbij voor een analytische benadering, hetgeen inhoudt dat hij streeft naar begripsmatige precisie en nauwkeurige argumentatie.

Herinnering
Het zal duidelijk zijn dat de mens met het verloop van de tijd verandert. Wanneer een baby zich ontwikkelt tot een volwassene zijn heel wat veranderingen opgetreden. Toch is die mens gedurende zijn gehele levensloop dezelfde persoon gebleven. Een mens heeft dus identiteit door de tijd heen. De vraag kan gesteld worden waarin deze identiteit door de tijd heen gelegen is.

Verschillende personen hebben geprobeerd op deze vraag een antwoord te geven, onder meer de Engelse empirist John Locke (1632-1704). Locke brengt drie zaken naar voren: persoonzijn is identiek aan bewustzijn, de persoonlijke identiteit strekt zich uit over de herinnering en de herinnering van de ene persoon is anders dan die van een andere persoon. Dit is wel de geheugentheorie genoemd. Een tweede theorie is de lichaamstheorie. Deze houdt in dat A op een bepaald tijdstip dezelfde persoon is als B op een ander tijdstip, indien A en B hetzelfde lichaam zijn. Er zijn ook filosofen die stellen dat er geen persoonlijke identiteit is. De auteur verwerpt deze drie opvattingen door ze te toetsen op de consequenties die eruit voortvloeien.

Eigenschap
Na deze toetsing schetst hij in hoofdstuk 9 een theorie over persoonlijke identiteit. Hij komt dan tot de conclusie dat een persoon identiteit in strikte en filosofische zin heeft, omdat hij een ondeelbaar individueel ding is. Daarnaast stelt hij dat een persoon behalve accidentele en essentiële eigenschappen ook een of meer essenties bezit. Hij maakt het bovenstaande duidelijk door als voorbeeld de filosoof Socrates te kiezen. Het feit dat Socrates de leermeester van Plato is, is een accidentele eigenschap van Socrates, omdat hij slechts in sommige onderdelen van zijn bestaan de leermeester van Plato is. Doordat Socrates een persoon is en bijvoorbeeld geen getal, is het bestaan van hem in elke wereld een essentiële eigenschap van Socrates. Socrates heeft dus zowel accidentele als essentiële eigenschappen. Hij bezit daarnaast ook een essentie, wat betekent dat deze wijsgeer bepaalde unieke eigenschappen bezit. Een van deze eigenschappen is dat hij gehuwd was met Xantippe.

Vernietiging
In hoofdstuk 10 bespreekt Van Woudenberg de verhouding van de persoonlijke identiteit tot de sociale identiteit, het karakter, het zelfbeeld en de zelfverloochening. De laatste drie hoofdstukken gaan over de vraag of de dood de menselijke persoon vernietigt, de kennis en het mysterie van de identiteit. Van Woudenberg stelt dat de dood niet de vernietiging van de menselijke persoon is. Hij ziet de dood veeleer als een verdere verandering of ontwikkeling. Na de dood bestaat de mens voort in een staat die net zo verschilt van onze huidige staat als dat deze verschilt van de staat in de moederschoot.

Om iets te weten over de identiteit moeten twee vragen beantwoord worden: Wat is identiteit en hoe weten we dat iets identiek is aan iets? Wat de eerste vraag betreft, komt de auteur tot de conclusie dat identiteit ten diepste een mysterie is. Hij zegt daarvan: „Het enige dat ik zie, is dat er zoiets is als identiteit, in strikte zin, van personen door de tijd. Ik kan niet anders dan dit aanvaarden als een bruut en mysterieus feit” (blz. 121).

Zeldzaamheid
Het antwoord op de vraag of A identiek is aan B kan verschillen. Wanneer A en B materiële objecten zijn, luidt het antwoord anders dan wanneer A en B personen zijn. Ook wordt het antwoord weer anders wanneer A en B andere personen zijn dan ikzelf. Bij de beantwoording van deze vragen betrekt de schrijver de volgende zaken: gelijkheid qua eigenschappen, het behouden van dezelfde functie en het getuigenis van anderen voor materiële zaken en geheugen en getuigenis van anderen voor personen.

Dat niet iedereen hetzelfde over de besproken zaken denkt, geeft de auteur in de inleiding aan: „Ik ben me ervan bewust dat ik in dit boekje dingen zeg die controversieel zijn. Maar zo is het leven in de filosofie nu eenmaal: eenstemmigheid is er een zeldzaamheid. Gegeven deze ”condition philosophique” zit er voor een filosoof niets anders op dan om naar eer en geweten te denken, te wikken en te wegen, te schrijven en er het beste van te hopen” (blz. 8).

Dit boek is een gedegen studie waarin de logische redenering en de argumentatie een belangrijke rol spelen. Het is zo geschreven dat het geschikt is voor het onderwijs in de filosofie, zowel aan de universiteit als aan de middelbare school.