Boekrecensie

Titel: Brieven
Auteur: Ludwig Wittgenstein
Gekozen en bezorgd door Joachim Leilich, vertaald door Hans Driessen

Uitgeverij: Wereldbibliotheek
Amsterdam, 2000
ISBN 90 284 1852 0
Pagina's: 254
Prijs: ƒ 49,90

Titel: Ludwig Wittgenstein. Taal, de dwalende gids
Auteur: Bert Keizer

Uitgeverij: Sun
Nijmegen, 2000
ISBN 90 5875 021 3
Pagina's: 158
Prijs: ƒ 29,50.

Titel: De vloek van Wittgenstein. Het onbesliste gevecht met Karl Popper
Auteur: David Edmonds en John Eidinow

Uitgeverij: Ambo
Amsterdam, 2001
ISBN 90 263 1685 2
Pagina's: 238
Prijs: ƒ 49,90

Recensie door B. J. Spruyt - 25 april 2001

Wittgenstein wilde ruimte creëren voor theologie en mystiek

Aan beide zijden van de grens

„Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Deze beroemde woorden uit Wittgensteins ”Tractatus logico-philosophicus” zijn lange tijd opgevat als de doodsteek aan alle religie. Maar nu we steeds meer over het leven van Wittgenstein te weten komen, wordt ook steeds duidelijker dat deze invloedrijke filosoof een intens religieus mens is geweest, op zoek naar de troost en zin voorbij de grens van het wetenschappelijk kennen. „Zoals een insect gonzend rond de lamp vliegt, zo doe ik dat rond het Nieuwe Testament”, noteerde hij in februari 1937 in zijn dagboek.

Ludwig Wittgenstein (1889-1951) was in ieder geval een tragisch, getormenteerd mens. Dat klinkt wat pathetisch, maar bij Wittgenstein kunnen we met minder niet toe. Hij was ertoe voorbestemd. Hij kwam uit een welgestelde familie en had de financiële armslag om zijn leven in alle rust en comfort door te brengen, zonder ooit te hoeven participeren in de strijd der dwergen om posities. Maar in de familie waren talenten en interesses aanwezig die wel vaker voor voortdurende onrust zorgen: liefde tot de kunsten, in het bijzonder voor muziek en poëzie, gecombineerd met een weerbarstige aanleg voor melancholie. Wittgenstein herkende veel van zichzelf in de zwartgallige dichter Nicolaus Lenau. Over diens ”Faust” noteerde hij: „Het is opmerkelijk dat de mens hier enkel met de duivel van doen heeft. God verroert zich niet.”

Hij was de jongste van acht kinderen, van wie er drie zelfmoord pleegden. Zijn (Joodse) vader was een vooraanstaand industrieel, wiens huis tot een centrum van het sociale en culturele leven in Wenen uitgroeide. Hij was een van de belangrijkste donoren bij de totstandkoming van het Secessionsgebouw; Gustav Klimt schilderde zijn dochter Margarete. De componisten Brahms en Mahler waren geregelde gasten, de eerste was zelfs de pianoleraar van (de katholieke) mevrouw Wittgenstein. Toen Ludwigs broer Paul in de Eerste Wereldoorlog een arm had verloren, schreven Ravel en Strauss eenhandige concerto's voor hem.

Tot zijn veertiende ontving Ludwig onderwijs aan huis. Daarna bezocht hij de Realschule in Linz, waar in die tijd ook een zekere Adolf H. leerling was. Op aandringen van zijn vader studeerde hij daarna werktuigbouwkunde in Berlijn. Hij hield het er drie semesters vol, en vertrok in 1908 naar Engeland om in Manchester luchtvaartkunde te studeren. Toen hij betrokken werd bij het ontwerp van een propeller, raakte hij geboeid door de wiskundige berekeningen die daarbij een rol spelen, vervolgens door de wiskunde zelf en uiteindelijk door de filosofische grondslagen van de wiskunde. Het leidde ertoe dat hij de ”Principles of Mathematics” van Bertrand Russel las en in Cambridge bij deze vooraanstaande filosoof ging studeren.

Eerbiedige wanhoop
In de Eerste Wereldoorlog was Wittgenstein officier bij de artillerie. Maar hij voltooide aan het front ook het boek dat een van de meest invloedrijke in de geschiedenis van de twintigste-eeuwse filosofie is geweest; de ”Logisch-filosofische verhandeling”. Het is een cryptische, mathematisch geordende studie over logica en ethiek. „Men zou de hele betekenis van het boek”, schrijft Wittgenstein in het voorwoord, „in deze woorden kunnen weergeven: wat gezegd kan worden, kan duidelijk gezegd worden; en waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.”

Daar moeten we het in dit verband voorlopig maar even bij laten. Wittgensteins meest recente biograaf, arts en schrijver Bert Keizer, onthult in zijn boek dat hij als „dweperig filosofiestudent” in „eerbiedige wanhoop” wel eens voor het boek is neergeknield met de vraag: „Heeft iemand dit ooit begrepen?” Van belang is wel om vast te stellen dat Wittgensteins goede naam onder positivisten vooral op deze studie berust. Hij groeide uit tot de patroonheilige van de harde wetenschap. Want zijn conclusie leek immers te betekenen dat alleen wetenschappelijk verifieerbare kennis ertoe doet en dat de rest onzin is. Het is niet voor niets dat een antireligieus schrijver als W. F. Hermans Wittgensteins verhandeling in het Nederlands vertaalde en een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het bekend worden van Wittgensteins gedachtegoed in Nederland.

Tijdens een volgende wereldoorlog voltooide Wittgenstein zijn tweede belangrijke boek: de ”Filosofische onderzoekingen”. Daarin schijnt hij alles te herroepen wat hij eerder had geschreven. Vanaf nu is er sprake van een Wittgenstein 1 en een Wittgenstein 2. De taal is het grote probleem dat Wittgenstein (2) in dit boek behandelt. En zijn conclusie is dat mensen als het ware gevangen zitten in de ballon van de taal. Of de menselijke taal correspondeert met een buiten die taal gegeven werkelijkheid, is zeer dubieus. De vraag naar waarheid verandert daardoor wezenlijk van karakter. Waarheid bestaat eigenlijk alleen nog maar in de correcte samenhang tussen zinnen. Dit standpunt is een van de grondslagen van de analytische taalfilosofie, waarmee academische filosofen zich vooral onledig houden.

Gloeiende pook
Wittgenstein was een nomade: een rusteloze zwerver, die ook letterlijk veel reisde, en tijden van gepassioneerde arbeidzaamheid afwisselde met perioden van afzondering en ascese. Zijn grondeloze eerlijkheid, zijn verhitte, zo niet oververhitte geest, zijn curieuze, zo niet onfatsoenlijke gedrag, zijn hele of halve krankzinnigheid maken hem tot een van de meest fascinerende persoonlijkheden uit de filosofiegeschiedenis. Hij overleed in 1951. Zondag is dat 50 jaar geleden.

Naar aanleiding daarvan publiceerde de al eerder genoemde Bert Keizer een toegankelijk boekje over het leven en denken van Wittgenstein. Bij uitgeverij Ambo verschijnt een Nederlandse vertaling van de Engelse studie van David Edmonds en John Eidinow over een debat van tien minuten tussen Wittgenstein en Karl Popper. Dat debat, waarbij ook Russell aanwezig was en dat werd gehouden op de avond van vrijdag 25 oktober 1946 in King's College in Cambridge, liep uit op een heftige woordenwisseling tussen Wittgenstein en Popper. Volgens Popper bestonden er filosofische problemen, volgens Wittgenstein waren er slechts raadsels. Voor Wittgenstein was dat verschil van mening belangrijk genoeg om Popper met een gloeiende pook te lijf te gaan. Althans, dat is een versie van wat er die avond in 1946 in Cambridge is gebeurd. Edmonds en Eidinow hebben een heel boek aan een reconstructie van het debat gewijd. Dat biedt schitterende lectuur, in helder proza, met kennis van zaken, onontkoombaar voor geïnteresseerden in filosofiegeschiedenis of in de mores aan Engelse academische instellingen.

Maar er is eind vorig jaar nog een belangrijk boek verschenen: een bloemlezing uit de brieven van Wittgenstein, gekozen en uitgegeven door de Antwerpse hoogleraar Joachim Leilich en vertaald door Hans Driessen. De studie van Wittgenstein is een discipline op zich geworden. De ontsluiting van zijn werk –vooral van zijn nalatenschap– heeft de laatste jaren ook tal van persoonlijke documenten aan het licht gebracht. Vermelding verdienen de ”Zettel” (in het Nederlands vertaald als ”Knipsels”) en de dagboeken, in het Nederlands gepubliceerd onder de titel ”Denkbewegingen”. Die uitgaven zijn nu aangevuld met een selectie van 244 brieven (van de 1700 die bewaard gebleven zijn), gericht aan familieleden en vrienden.

Hierin leren we Wittgenstein ten voeten uit kennen. In zijn neerslachtigheid en zijn arrogantie. In 1912 (23 jaar oud dus) schrijft hij aan Russell, na zich uiterst kritisch over een boek van George Edward Moore te hebben uitgelaten: „Mijn logica staat nog in de steigers.” In zijn veeleisendheid en in zijn meedogenloze hang naar het absolute, zowel in ethische als in religieuze zin. In zijn zelfverachting dus ook.

Boedelscheiding
Over zijn ”Logisch-filosofische verhandeling” meldt Wittgenstein in een brief aan Ludwig von Ficker dat het uit twee delen bestaat: „Uit datgene wat er feitelijk in staat en uit alles wat ik niet geschreven heb. En dat tweede deel is nu juist het belangrijkste.” Uit alles blijkt dat Wittgenstein, die aan beide zijden van de grens leefde en dacht, de wetenschap strenge grenzen heeft willen wijzen om aldus alle ruimte te creëren voor de werkelijke levensvragen, voor de zinvragen, voor filosofie, theologie en mystiek.

Het is om deze reden dat steeds meer christenen Wittgenstein in hun armen sluiten. De filosoof Theo de Boer noemt Wittgenstein „de Pascal van de twintigste eeuw” omdat hij de terreinen van exacte en existentiële kennis grondig heeft verkend. Positieve opmerkingen over Wittgenstein vinden we ook bij de dichter Willem Jan Otten.

Anderen zullen een boedelscheiding tussen geloof en wetenschap zoals die in de conclusie van Wittgenstein ligt opgesloten een minder heilzame weg vinden. Als rationaliteit aan de wetenschappelijke zijde van de grens moet achterblijven, en gevoel en ervaring de kenorganen aan de andere zijde van die grens zijn, dan kunnen we ons immers afvragen of over mystiek en theologie dan nog wel kan worden gediscussieerd. Waarover niet meer te praten valt, dat kunnen we ook niet corrigeren. Als vragen naar de zin naar buiten het domein van de feiten en proposities worden verwezen, resteren paradoxen en poëzie, en is dogmatiek slechts „een misplaatste poging het onzegbare in definities en theorieën te vangen.” In die zin zouden de grenzen tussen beide ”taalvelden” beter poreus kunnen blijven. Maar het is in ieder geval Wittgensteins verdienste dat hij die problematiek scherp onder woorden heeft gebracht en suggesties heeft aangedragen die in de discussie daarover altijd een belangrijke rol zullen blijven spelen.