Boekrecensie

Titel: Harriet Winslow. In dienst van koning Jezus. Herinneringen van een zendelinge, bezorgd door ds. Miron Winslow
Redactie: F. van Holten

Uitgeverij: De Groot Goudriaan
Kampen, 2000
ISBN 90 6140 719 2
Pagina's: 160
Prijs: ƒ 27,50

Recensie door W. van der Zwaag - 18 april 2001

Dagboek Harriet Winslow getuigt van oprechte vroomheid

„Niets in de wereld dat me trekt”

Harriet Winslow was op Ceylon getuige van de wonderen van Gods genade in de harten van afgodendienaars. Ze liet dagboeknotities en brieven na. Wat deze jonge vrouw in de negentiende eeuw opschreef, wijst op een nuchtere, beheerste inslag en op een afkeer van gemaakte vroomheid.

„In de wereld zie ik niets dat me werkelijk aantrekt, maar als ik in geloof naar Boven mag zien moet ik er echt niet aan denken om nog veel langer in het vlees te zijn. Maar als ik voor de zaak van de Zaligmaker werkzaam zou mogen zijn, dan begeer ik nog vele jaren hier nuttig te mogen zijn.” Deze woorden schreef de toen twintigjarige Harriet Winslow in haar dagboek. Het is een voor haar karakter kenmerkende uitspraak.

Oprechte vroomheid
Ze werd op 9 april 1796 in het puriteinse Nieuw-Engeland in Amerika geboren. Harriet Wadsworth Lathrop had als kind reeds te worstelen met haar, naar eigen zeggen, koppig en halsstarrig karakter. Dat kostte haar veel tranen en bracht haar steeds in het verborgene. De Heere bracht haar echter op jeugdige leeftijd tot kennis der zaligheid. Op 9 april 1809 werd ze, na afgelegde openbare belijdenis en nog geen veertien jaar oud, tot de tafel des Heeren toegelaten. Toen ze zeventien jaar was, schreef ze: „Ik ben ervan verzekerd dat in mijn leven de oude dingen voorbijgegaan zijn en dat het alles nieuw is geworden, dat ik eens duisternis was, maar nu licht ben in de Heere. Ik vertrouw alleen op de Zaligmaker voor rechtvaardiging, aanneming en heiliging. En toch ben ik aan alle kanten verward en verlegen. Dat overblijvende bederf doet me luid roepen om hulp. Ik gevoel dat ik ben afgedwaald, dat ik een dwaalziek hart heb. Dat smart me, o God, ik vraag U om kracht.” Haar dagboeknotities leggen getuigenis af van haar eenvoudige, oprechte vroomheid.

Zending
Op jeugdige leeftijd toonde ze grote bewogenheid met het eeuwig welzijn van medezondaren. Ter illustratie hiervan nog één citaat uit diezelfde tijd: „Wanneer ik denk aan de menigten van medeschepselen die voor eeuwig omkomen door gebrek aan geestelijke kennis, en dat ik comfortabel voortleef, zonder werkzaam te zijn tot verbreiding van het Evangelie, zou ik graag een man willen zijn. Ik zou dan mijn leven kunnen doorbrengen te midden van de arme, blinde heidenen.”

Deze begeerte werd vervuld, maar anders dan Harriet zelf had gedacht. Op 11 januari 1819 trouwde zij met Miron Winslow. Hij werd met tien anderen door het Amerikaans Zendingsgenootschap als zendeling uitgezonden naar Ceylon, het hedendaags Sri Lanka.

Beproevingen
Op Ceylon heeft Harriet niet alleen veel betekend voor haar man, maar ook voor de plaatselijke bevolking. Talrijke beproevingen heeft ze moeten ondergaan. Ze had een zwakke gezondheid. Enkele malen moest ze een kind afstaan aan de dood. Haar oudste zoon Charles, die voor zijn opleiding naar Amerika was gezonden, stierf onverwacht. Ze heeft hem nooit weergezien.

Harriet mocht echter ook getuige zijn van de wonderen van Gods genade die in de harten van afgodendienaars werden verheerlijkt. Oud is ze niet geworden. Op 27-jarige leeftijd stierf ze lichamelijk uitgeput in de dienst van haar Koning. Korte tijd voor haar dood schreef ze nog aan haar moeder: „O, wat is de Heere toch goed en genadig dat Hij me niet aan mezelf heeft overgelaten om te wandelen bij de spranken van mijn eigen vuur. Ik was er heimelijk toch op uit om mijn eigen zaligheid te bewerken, om mijn gerechtigheid op te richten... Soms is de hemel heel laag en dan zou het gemakkelijk zijn om te sterven.”

Na haar overlijden heeft haar echtgenoot de dagboekaantekeningen en brieven in het jaar 1835 uitgegeven. F. van Holten heeft deze nu vertaald en in druk uitgegeven. Hij heeft de uitgave bovendien van verklarende aantekeningen voorzien.

Voorbeeld
Tot slot een kleine opmerking. Harriet Winslow behoorde tot een congregationalistische gemeente. De congregationalisten, onder wie Owen en Edwards, waren geen separatisten die zich van de Kerk van Engeland hadden afgescheiden, zoals de auteur op bladzijde 31 schrijft. Zo wilden ze zelf ook nooit genoemd worden. Eerder was het gevarieerde bestand van de baptisten separatistisch van aard. De congregationalisten of independenten wilden de staatskerk van binnen uit reformeren, evenals de presbyterianen. Maar meer dan laatstgenoemden legden de congregationalisten nadruk op de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Zij beschouwden zich gewoon nog als een deel van de Anglicaanse Kerk, maar erkenden niet de bisschoppelijke kerkregering. Ze genoten in Nieuw-Engeland echter een vrijheid waarvan hun geestverwanten in Engeland slechts konden dromen. Om godsdienstvrijheid te verkrijgen waren ze, vaak via Nederland, naar Amerika uitgeweken. De Grote Omwenteling van 1688 bracht staatkundige en kerkelijke veranderingen met zich mee: zowel congregationalisten als presbyterianen kwamen nu buiten de staatskerk terecht.

Hoewel Harriets tijdgenote, de bekende Mary Winslow, erg met haar memoires was ingenomen, heeft Van Holten niet kunnen achterhalen of Mary familie van Harriets man is geweest. In elk geval waren beide vrouwen toonbeelden van godsvrucht, en zijn ze voorbeelden voor het nageslacht.