Boekrecensie

Titel: Het drama van de menselijke vrijheid. De ambivalente rol van het christelijke vrijheidsbegrip in de westerse cultuur
Auteur: Martien E. Brinkman

Uitgeverij: Meinema
Zoetermeer, 2000
ISBN 90 211 3798 4
Pagina's: 321
Prijs: ƒ 45,-

Recensie door dr. G. van den Brink - 7 maart 2001

Leerzame studie mist oriëntatie op gereformeerd erfgoed

Kiezen tussen
Augustinus en Pelagius

”Vrijheid, gelijkheid en broederschap!” Dat was de leus waarmee in 1789 de Franse revolutie uitbrak. Kijken we achteraf daarop terug, dan blijkt dat ”vrijheid” het van de beide andere toverwoorden heeft gewonnen. In ”Het drama van de menselijke vrijheid” analyseert dr. M. E. Brinkman het vrijheidsbegrip vanuit christelijk perspectief.

De Verlichting bracht een ongekende bevrijding van voorheen onaantastbaar geachte maatschappelijke verhoudingen. De grote systemen van socialisme en marxisme probeerden vervolgens de situatie in balans te brengen door het accent te verschuiven van vrijheid naar gelijkheid en broederschap, maar faalden daarin jammerlijk. Daardoor is in onze postmoderne tijd eigenlijk alleen de vrijheid overgebleven, terwijl gelijkheid vooral betekent: gelijke rechten om je vrijheid uit te oefenen.

Reden te over om het vrijheidsbegrip eens vanuit de christelijke theologie te analyseren. Dat is wat prof. M. E. Brinkman, decaan aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit, met zijn boek ”Het drama van de menselijke vrijheid” beoogt. En hij verricht zijn taak op een zorgvuldige, genuanceerde manier.

Brinkman erkent dat door het moderne accent op menselijke vrijheid rechtvaardiger maatschappelijke verhoudingen mogelijk geworden zijn. Tegelijkertijd wijst hij op het belangrijke verschil tussen vrijheid van en vrijheid tot. We zijn vandaag zo ongeveer bevrijd van alle banden die in het verleden knelden, maar weten we nog waartoe onze vrijheid dient? Hebben de Bijbel en de christelijke traditie daar misschien iets zinnigs over te zeggen?

Schatkamer
Brinkman start zijn onderzoek in de „schatkamer van de christelijke traditie” (blz. 14). Hij gaat eerst na wat het Oude Testament over menselijke vrijheid te zeggen heeft, met name vanuit de notie van de mens als beeld Gods. Een tweede hoofdstuk bakent vandaaruit af waarvoor de mens níet verantwoordelijk is. Er blijken ook duistere machten in het spel, waar we geen grip op krijgen.

Meer dan het Oude geeft het Nieuwe Testament uitzicht op de overwinning van die machten. Daarom gaat Brinkman vanuit het Nieuwe Testament na hoe die overwinning gestalte krijgt in de door God van schuld bevrijde mens (hoofdstuk 3, vooral vanuit de brieven van Paulus geschreven). Maar voordat enig triomfalisme zou kunnen ontstaan, wijst Brinkman op de hardnekkigheid van het kwaad binnen en buiten onszelf. Juist de gedachte dat we het kwaad wel achter ons kunnen laten, heeft in de geschiedenis immers voor talloze slachtoffers gezorgd. Het bekende woord uit de Heidelbergse Catechismus dat de mens van nature geneigd is God en de naaste te haten, getuigt dan ook van veel realiteitszin, en kan ons voor zelfoverschatting behoeden (blz. 196).

Dogma's
Na deze rondgang door de Bijbel volgt een oriëntatie in de dogmengeschiedenis. Achtereenvolgens komen de bekende debatten over de vrije wil tussen Augustinus en Pelagius en tussen Luther en Erasmus aan de orde. Opmerkelijk genoeg ontbreekt een bespreking van het latere Dordtse conflict. Terecht wijst Brinkman de gedachte af dat het hierbij om achterhaalde kwesties zou gaan. Er spelen juist motieven een rol die de christenheid nog altijd vergezellen.

Als oecumenisch gezind theoloog gaat de auteur echter ver in het zoeken naar waarheidsmomenten over en weer. Zonder Augustinus en Luther ook maar enigszins af te vallen, probeert hij toch ook bij Pelagius en Erasmus legitieme accenten te ontwaren. De vraag is of dit allemaal zo vriendelijk kan. Hebben alle betrokkenen zich dan zo deerlijk vergist toen ze elkaars standpunten onomwonden van de hand wezen?

In het zevende en laatste hoofdstuk hakt Brinkman dan toch enige knopen door vanuit zijn eigen theologisch ontwerp. Dat ontwerp is opgezet vanuit de sacramenten, vooral vanuit de heilige doop. Brinkman ziet in het christelijk doopritueel de bevrijding van de mens uít de machten van zonde en kwaad, en tót de ware dienst aan God en de naaste. Op zichzelf is dat een mooie gedachte, die in allerlei richtingen uitgewerkt wordt, en vanwaaruit ook op overtuigende wijze het verschil getekend wordt met seculiere vrijheidsopvattingen.

Vragen
Toch rijzen hier ook vragen. Leidt het zware accent op de sacramentsleer niet gemakkelijk tot een sacramenteel verstaan van de genade? In de reformatorische theologie wordt de genade –en dus ook de ware vrijheid– primair bemiddeld door de verkondiging van het Woord en het daardoor opgeroepen persoonlijk geloof. Daarover lezen we bij Brinkman hoegenaamd niets. Terwijl datgene wat in de Reformatie –hoe hoog men de sacramenten ook bleef waarderen– toch als „aanklevend” gezien werd, bij hem het een en al lijkt. Het probleem daarmee is dat helaas lang niet allen die het doopritueel hebben ondergaan ook de diepe betekenis daarvan doorleven.

Nu proef ik bij Brinkman wel het elan van Wormser: „Leer de natie haar doop verstaan, en ze is gered.” In die zin is zijn intentie legitiem. Maar de vraag blijft, of zonder het diep reformatorische accent op de woordverkondiging en het persoonlijk geloof niet te docetisch over het heil gesproken wordt: de genade blijft dan gemakkelijk wat boven ons bestaan zweven, in plaats van daarin werkelijk in te dalen.

Breuklijnen
Mijn zorgen worden versterkt door de laatste bladzijden van het boek. Daar spreekt Brinkman in zeer algemene termen over de door God geschonken vrijheid. Het is de zorgzame Schepper-God, die elk mens onvoorwaardelijk accepteert, en hem reeds bij zijn geboorte de creatieve Geestkracht schenkt om tot zijn bestemming te komen.

Uiteindelijk wordt er dan nog wel op gewezen dat in het Nieuwe Testament een en ander belichaamd wordt in Christus. Maar dat het hele doopgebeuren en christelijke vrijheidsverstaan zonder Christus' werk volstrekt ondenkbaar is, blijft in het midden.

Zodoende dreigen de breuklijnen tussen God en mens te vervagen – precies tegenovergesteld eigenlijk aan wat we aantreffen in het recente werk van Brinkmans nieuwe collega A. van de Beek! Het kritische, oordelende aspect van de doop valt weg, evenals het gegeven dat de daarin betekende verlossing haaks staat op wat wíj van het leven gemaakt hebben. Het is in dit verband tekenend dat een kerntekst als Johannes 8:36 („Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn”) onbesproken blijft.

Brinkman laat zich sterk beïnvloeden door hedendaagse katholieke theologen als A. Houtepen en P. Schoonenberg. In de Catholica denkt men traditioneel veel ongebrokener over de verhouding van God en mens, en daardoor veel optimistischer over de menselijke vrijheid. Al te vlot verwerpt Brinkman onder invloed van Houtepen ook het klassieke spreken over Gods handelen in en aan de wereld, als zou dat getuigen van een „statisch voorzienigheidsdenken” (blz. 269), waarin God en mens per definitie elkaars concurrenten zijn. De vele recente studies hierover ziet hij als een aanwijzing dat dit type denken wel problematisch moet zijn (blz. 269). Maar dat is een wonderlijk argument. Op dezelfde manier zou je immers kunnen betogen dat de vele recente studies over de sacramentstheologie aantonen dat dat kennelijk een problematisch spoor is...

Calvijn
Brinkmans eruditie en kennis van de verschillende christelijke traditiestromen is groot. Zijn openheid naar andere stemmen dan die we van huis uit kennen is verfrissend. Ze maken zijn boek tot een boeiende en leerzame studie.

Toch had een sterkere oriëntatie op het eigen erfgoed van de gereformeerde theologie, waarbij iemand als Calvijn op eigen benen mag staan in plaats van op de klank af voor hedendaagse theologieën geclaimd te worden (blz. 282), tot een waardevollere bijdrage aan de oecumenische discussie geleid.