Boekrecensie

Titel: Het andere christendom. De gnosis en haar geestverwanten
Onder redactie van R. Roukema

Uitgeverij: Meinema
Zoetermeer, 2000
ISBN 90 211 3766 6
Pagina's: 156
Prijs: ƒ 35,-

Recensie door dr. Chr. Fahner - 28 februari 2001

Kennismaken met de gnostiek

Wie iets wil proeven van niet-orthodoxe geschriften uit de eerste eeuwen van de kerk, kan in de bundel ”Het andere christendom” terecht.

Vanaf circa 300 voor Christus begon zich een veelheid van cultuur- en denkvormen te ontwikkelen. Deze worden het ”hellenisme” genoemd. Ze ontstonden als gevolg van de verre veldtochten van Alexander de Grote. De tochten brachten mensen van Griekse komaf in contact met andere culturen, zoals Egypte, Mesopotamië en zelfs India. Uit de confrontatie van de Griekse taal en cultuur met andere culturen kwamen diverse mengsels tevoorschijn. Een ervan op religieus gebied werd later de ”gnosis” genoemd. Binnen een deel van de christelijke kerk kwam –vooral in de tweede eeuw– een christelijk-gnostische variant tot ontplooiing.

Deze stroming, ook wel de ”gnostiek” geheten, was niet onbekend in de kerkgeschiedenis. Maar de inhoud ervan moest tot zo'n vijftig jaar geleden vooral gevonden worden in orthodoxe kerkvaderlijke geschriften, die de gnostiek juist als ketterij verwierpen. Zo komen we in bijvoorbeeld Eusebius' ”Kerkgeschiedenis” veel pagina's tegen die zich tegen gnostieke schrijvers en hun leer richtten. Ongeveer vijftig jaar geleden werd in Nag Hammadi in Egypte een bibliotheek met werken van gnostieke signatuur gevonden. Nu werd het mogelijk de gnostiek uit de bronnen te bestuderen.

Volgens de schrijvers van het boek ”Het andere christendom” is de gnosis te beschouwen als een religieuze variant binnen de christelijke wereld van de oudheid. Het boek, dat werd geredigeerd door R. Roukema, bevat een verzameling bijdragen die een vervolg zijn op een eerder boek van Roukema, te weten ”Gnosis en geloof in het vroege christendom. Een inleiding tot de gnostiek”. Zo ontstaat een palet van „diverse vormen van christendom” in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Het gaat de auteurs niet om de waarheidsvraag: „Deze benadering is niet normatief bedoeld maar historisch...” (blz. 10). Uiteraard heeft elke schrijver daarbij toch zijn eigen vooronderstellingen.

Riemer Roukema bespreekt het gnostieke Evangelie van Filippus. Esther de Boer schenkt aandacht aan het, volgens haar niet typisch gnostische, Evangelie van Maria. Caroline Vander Stichele stelt het Evangelie van Petrus aan de orde – volgens haar zou het niet docetisch zijn. Cees den Heyer onderzoekt het Evangelie volgens Johannes – het enige canonieke geschrift in deze bundel. Dan zijn er nog twee bijdragen over apocriefen onder Johannes' naam, geschreven door respectievelijk Gerard Luttikhuizen en Pieter Lalleman. De eerste behandelt het Geheime Boek van Johannes, dat wel gnostisch is. De tweede gaat over de Handelingen van Johannes, dat „gnostische elementen” bevat. Magda Misset-van de Weg ten slotte schreef over de Handelingen van Thecla – een onderdeel van de Handelingen van Paulus en niet-gnostisch. En Ulrich Schmid belicht de door de kerk als „aartsketter” beschouwde Marcion en zijn gnostische ideeën.

De bundel wil „inzicht geven in de achtergrond waartegen de hoofdstroom van het christendom zich destijds heeft ontwikkeld.” Maar wat zijn in dit alles de centrale kenmerken van de gnostiek? Lalleman volgt Roukema met vier punten: 1. het gnostieke denken onderscheidt tussen een absolute God en een lagere; 2. de mens is uiteindelijk een goddelijk wezen; 3. de verdoolde mens op aarde ontvangt ware kennis –de gnosis– van God en van zichzelf, waardoor redding mogelijk wordt; 4. de kennis wordt doorgegeven in mythische verhalen, die over allerlei tussenwezens spreken.

Den Heyer verklaart dat de gnostiek als denkgeheel pas ontstaat na de periode waarin het Nieuwe Testament totstandkwam. Wel bestonden in de eerste eeuw ideeën die enigszins gnostisch aandeden. In het Nieuwe Testament wordt scherp verzet aangetekend tegen die proto-gnostieke elementen, zoals de gedachte dat Jezus slechts in schijn vlees is geworden. Den Heyer komt tot de terechte conclusie dat het Evangelie volgens Johannes niet gnostisch van aard is. Over de constructie van sommige inleidingskwesties verschil ik met hem van mening.

Dit boek is een nuttige kennismaking voor wie iets wil proeven van de niet-orthodoxe geschriften uit de eerste eeuwen van het christendom. Meer informatie over het geheel van de gnostiek zou echter niet hebben misstaan.