Boekrecensie

Titel: De bijna-christen ontdekt
Auteur: Mattheüs Meade; vert. M. Krijgsman

Uitgeverij: Den Hertog
Houten 2000
ISBN 90 331 1431 3
Pagina's: 195
Prijs: ƒ 34,50

Recensie door S. Houtekamer - 14 februari 2001

Meade spoort aan tot zelfonderzoek

„Arglistig is het hart, meer dan enig ding.” De puriteinse predikant Mattheüs Meade (1630-1699) heeft helder beschreven hoe een mens zichzelf kan bedriegen door te rusten op een gedaante van godzaligheid. Hij wil niet de zwakste gelovigen ontmoedigen, maar uitwendige belijders laten ontwaken.

Mattheüs Meade leefde in de tijd van Cromwell en Karel II. Tijdens de vervolging onder Karel II week hij een aantal jaren uit naar Holland. Hij preekte enige tijd in Utrecht. Zijn bekendste werk ”The Almost Christian Discovered” verscheen voor het eerst in een Nederlandse uitgave in 1682. Sindsdien werd het ongeveer twintig keer herdrukt. Aan belangstelling voor dit geschrift heeft het dus in het verleden niet ontbroken. ”De bijna-christen ontdekt” bevat zeven preken. Toch is het boek geen prekenbundel geworden. Het onderwerp –het nabijkomend christendom– wordt aan de hand van vier vragen besproken, gevolgd door een toepassing.

Meade wijst er in zijn voorwoord op dat het werk bedoeld is als een toetssteen voor het onderzoek naar iemands staat. „Bent u een huichelaar”, zo schrijft hij, „lees dan en beef. Maar als Christus een gestalte in u gekregen heeft, lees dan en verblijd u.” De titel van het boek is ontleend aan de uitspraak van koning Agrippa tot Paulus: „Gij beweegt mij bijna een christen te worden” (Hand. 26:28). Bij de beantwoording van de vragen gaat Meade uit van de stelling: Er zijn zeer veel mensen in de wereld die bijna-, en toch niet meer dan bijna-christenen zijn.

Kromgegroeide kleermaker
Het kan zeer ver gaan met een mens. Hij kan uitzonderlijke vorderingen maken in de godsdienst, en toch slechts „bijna” een christen zijn. Meade noemt een groot aantal gevallen waarin iemand een waar christen schijnt te zijn, maar het niet is. Hij gebruikt prachtige voorbeelden. Zoals hij schrijft over het bezit van voortreffelijke gaven: „Een kromgegroeide kleermaker kan een pak maken waarin een recht lichaam past, ook al past het pak niet degene die het heeft gemaakt, omdat hij krom is.” God kan iemands gaven gebruiken om een ander tot Christus te brengen, terwijl hijzelf een vreemdeling van Christus blijft.

Meade wilde met dit boek geen geleerde verhandeling te schrijven. Integendeel, het is zeer eenvoudig en duidelijk van opzet. Hij schreef het omdat hij zeer bewogen was met het zielenheil van zijn lezers. Dat maakt het geschrift zo waardevol.

De vertaling is zeer betrouwbaar. Het boek is in goed, hedendaags Nederlands vertaald. Vergeleken met de oude vertaling is ze nauwkeuriger en leest ze ook veel gemakkelijker. Meade besloot zijn inleiding met de wens dat het boek voor de lezer mocht zijn „wat een regenwolk is voor de droge grond.” Bij deze wens sluit ik me helemaal aan.