Boekrecensie

Titel: Jacht op de snelkrakers
Auteur: Johannes Visscher

Uitgeverij: Den Hertog
Houten, 2000
ISBN 90 331 1516 6
Pagina's: 130
Prijs: ƒ 15,90

Recensie door Geertje Bikker-Otten - 13 september 2000

Spanning rond
een verlaten ruïne

Wat Johannes Visscher overkwam, is de droom van iedere beginnende schrijver. Je besluit een jeugdboek te gaan schrijven en de eerste uitgeverij die het manuscript onder ogen krijgt, ziet er meteen wat in. Als alles naar wens verloopt, wordt het debuut zelfs het begin van een hele serie onder de naam ”De Rode Ruiters”. De nieuwe jeugdboekenschrijver blijft er nuchter onder. „Je moet er gewoon aan beginnen. Heel veel mensen zouden dit kunnen.”

Schrijven is voor Johannes Visscher (26) dagelijkse routine. Hij werkt al een aantal jaren op de redactie binnenland van deze krant. Maar een jeugdboek schrijven is heel wat anders dan een artikel maken, ontdekte hij. „Je hebt het voordeel dat je weet hoe je een zin in elkaar zet. En je kent de trucjes om de aandacht vast te houden.”

Maar er waren ook genoeg dingen die hij juist moest afleren. „Je hebt de neiging om te haastig te zijn. Om snel naar de kern toe te gaan. Dat heeft te maken met het werk voor de krant. Ik heb moeten leren ook rustpunten in het verhaal te brengen.” De uitgever wees hem er ook op niet te veel met woorden te variëren. Een auto mag best een paar keer achter elkaar auto worden genoemd. „In de krant moet je juist vaak alternatieven zoeken.” Maar het belangrijkste verschil is volgens Johannes Visscher toch wel dat je bij het schrijven van een boek alles zelf moet bedenken. ,,Als je iemand hebt geïnterviewd, ligt alle informatie in principe op je bordje klaar. Nu niet.”

Het idee om een spannend verhaal schrijven had de schrijver al langer. ,,Ik liep al een tijd met de gedachte rond het eens te proberen. Pas hoorde ik iemand vertellen dat ik op m'n twaalfde zei dat ik een boek wilde schrijven. Maar dat kan ik me zelf niet meer herinneren.” Vorig jaar zomer besloot hij de stap te wagen. „Ik heb mezelf verplicht om van 's morgens acht tot 's avonds elf achter de computer te gaan zitten en gewoon maar te schrijven. In een paar dagen heb je dan een paar hoofdstukjes af.” Van tevoren had hij wel het stramien voor het verhaal helemaal uitgedacht. „Dat geeft me rust. Het moet allemaal logisch in elkaar zitten. Ik zit veel te onrustig in elkaar om dat al schrijvend te bedenken.”

Fabrieksruïne
De directe aanleiding voor ”Jacht op de snelkrakers” was een bezoek voor de krant aan een verlaten fabrieksruïne in het noordoosten van Groningen. „Het zag er daar bijna on-Nederlands uit. En er deden allerlei gekke verhalen over die ruïne de ronde. Een gemeenteambtenaar vertelde me dat hij er eens foto's wilde gaan maken, en toen door een bewaker werd tegengehouden. Hij zei zelfs dat er geschoten werd.”

De intrigerende ruïne speelt in ”Jacht op de snelkrakers” een centrale rol. Een criminele bende blijkt zich namelijk in de bouwval te hebben verschanst. Per ongeluk komen de tweelingbroers Dick en Freek en hun zusje Ilse in het vaarwater van deze criminelen terecht. De jongens gaan, nieuwsgierig geworden, nader op onderzoek uit. Dan gebeurt er van alles: ze horen meer dan voor hun oren bestemd is, ze worden door de snelkrakers gesnapt en gegijzeld, maar ze spelen ook een cruciale rol bij het oprollen van de criminele bende.

Dick, Freek en Ilse zijn de feitelijke hoofdpersonen van het boek. Hun achternaam is Ruiter. En rode haren zijn een familiekenmerk. Vandaar dus de naam van de serie. „Dat heeft de uitgever bedacht. Ik had ze eerst Dokkers genoemd”, vertelt Johannes Visscher, die inmiddels al is begonnen aan deel drie. Het is voor hem nog wel even wennen. Tijdens het gesprek laat hij de oude naam nog geregeld vallen.

Mistkanonnen
Het verhaal zit vol actuele details. De overvaltactiek van de snelkrakers, bijvoorbeeld. Ze zetten een afvalcontainer voor een winkeletalage en rijden vervolgens met een Landrover de gevel kapot. „Ik was een keer voor een artikel bij een bedrijf dat mistkanonnen verkoopt die voor beveiliging worden gebruikt. Daar vertelde iemand me over deze aanpak.” Ideale achtergrondinformatie voor een spannend jeugdboek. Het mistkanon zelf speelt bij de ontknoping van het verhaal trouwens een belangrijke rol.

Liefhebbers van technische snufjes komen sowieso goed aan hun trekken. Mooie auto's, een bungeejumper, geheime codes via de mobiele telefoon, Johannes Visscher verwerkte het allemaal in het verhaal. „Je moet wel steeds bedenken dat de hoofdpersonen kinderen zijn. Dat betekent dat ze bepaalde dingen niet kunnen. Autorijden, bijvoorbeeld. Dus moet je iets anders verzinnen. Je moet onverwachte en vreemde dingen in het verhaal stoppen om het spannend te houden.”

Hoe ver je daarin kunt gaan, is wel een punt van discussie. „Bij het schrijven van het tweede deel ben ik een aantal keren jammerlijk de mist ingegaan. Ik liet kinderen bijvoorbeeld boven op een vrachtwagen zitten terwijl die met een snelheid van 80 kilometer per uur over de weg reed. Dat vond de uitgever terecht te absurd. Die bladzijden zijn dus in de prullenbak verdwenen.”

Johannes Visscher heeft met zijn boek geen literaire pretenties. ,,Ik wilde gewoon proberen een spannend verhaal te schrijven. Dat klinkt misschien laagbijdegronds, maar zo zie ik dat. Er zijn mensen die zeggen dat de lezer moeite voor een boek moet doen, en daar kan ik me ook wel iets bij voorstellen. Maar ik vind dat het ook gemakkelijk mag gaan. Als jongeren een boek lezen, zoeken ze in eerste instantie spanning. Volgens mij is er daarom best belangstelling voor dit soort boeken. Daar hoop je natuurlijk ook op. Maar het kan best tegenvallen, zo nuchter moet je zijn.” Hij vindt dat een verhaal duidelijk moet zijn, vaart moet hebben en vlot moet weglezen. „Een geslaagd spannend boek heeft een ontknoping, vijf tot zes actiemomenten en een goede afloop”, denkt hij. De uitgever vond bovendien dat grapjes niet mogen ontbreken. „Dus heb ik er maar wat extra ingestopt. Volgens mij staat het boek nu barstensvol met flauwe grapjes.”

Morele afwegingen
Een spannend boek schurkt haast per definitie tegen de criminele wereld aan. En dus kan een schrijver niet om morele afwegingen heen. „Een moord opnemen vind ik niet kunnen. Ik zal ook niet te veel bloed laten vloeien, in elk geval niet met dodelijke afloop”, zegt Johannes Visscher. Hij zou het „griezelig” vinden om een boek te schrijven waarin het kwaad wordt goedgepraat. „Het gaat er in dit boek toch vooral om dat de bende wordt opgerold. Maar ook wel dat een van de criminelen zelf gaat twijfelen over wat hij aan het doen is. Ik vind dat je ervoor moet oppassen dat de kinderen door bepaalde foefjes niet zelf een grens overgaan. Als een van de hoofdpersonen liegt om zo een boef om de tuin te leiden, kun je dat niet zomaar laten passeren. Je moet ze daar dan bijvoorbeeld over laten discussiëren.”

Hij heeft er bewust voor gekozen het verhaal in een positieve sfeer te plaatsen. De Ruiters komen uit een harmonieus gezin. „Ik wilde het boek wat dat betreft eenvoudig houden. Ik zie het ook niet als mijn taak om over gezinsproblemen of iets dergelijks te schrijven. Je ontkomt er niet aan om over je karakters na te denken. Ze moeten voor de lezer herkenbaar zijn. Maar je moet ervoor oppassen ze al te zwart-wit neer te zetten. Freek is bijvoorbeeld van de tweeling degene die altijd het voortouw neemt. Toch laat ik Dick bewust ook zo nu en dan actie ondernemen. Maar het is geen psychologische roman, dus hoef je op dit soort dingen ook niet al te veel nadruk te leggen.”

Preekje
Een positieve levenssfeer beschrijven en het op een natuurlijke manier verwerken van de kern van de bijbelse boodschap zijn voor de schrijver wezenlijk. Maar een juiste vorm kiezen blijkt nog lastig. ,,Eerst had ik in ”Jacht op de snelkrakers” een soort preekje van een regel of vijf opgenomen. Op aandrang van de uitgever is daarvan maar één zin overgebleven. Je moet er steeds op beducht zijn dat lezers snel afhaken.”

Johannes Visscher spreekt uit ervaring. „Ik ben zelf helemaal geen lezer. Tot m'n dertiende wel. Piet Prins, K. Norel, de boeken die iedereen in zijn jeugd las. Daarna heb ik maar weinig boeken meer gelezen. Als ik wat lees zijn het voornamelijk kranten en tijdschriften. En de Bijbel, natuurlijk. Maar literatuur, zeg maar het echte werk, dat interesseert me niet. Wat dat betreft ben ik eigenlijk een beetje een cultuurbarbaar. Ik ga liever een eind fietsen.”