Boekrecensie

Titel: Zeeland 1945-1950
Auteur: dr. Jan P. Zwemer

Uitgeverij: Den Boer/De Ruiter
Middelburg, 2000
ISBN 90 7457 62 14
Pagina's: 720
Prijs: ƒ 89,90

Recensie door B. L. P. Tramper - 4 april 2001

Zwemer schrijft boek over jaren van wederopbouw in Zeeland

„In de kachel hadden
ze granaten gelegd”

De protestantse kerken en de rooms-katholieke geestelijkheid in Zeeland hadden na de Tweede Wereldoorlog geen goed woord over voor al de danspartijen die werden georganiseerd. Zij vonden dat de overheid moest optreden. Hun protesten leidden ertoe dat diverse gemeenteraden besloten het dansen te verbieden voor iedereen die nog geen 18 jaar was.

Over de 'danswoede' na de Bevrijding schrijft de historicus dr. J. Zwemer in zijn studie over de wederopbouw van Zeeland in de jaren 1945 tot 1950. Volgens hem had de rage destijds niet alleen Zeeland in haar greep, maar kwam het dansen in heel Nederland op grote schaal voor. Predikanten, pastoors en politici hadden er moeite mee. In Rilland klaagde een raadslid over „een zekere losbandigheid, zedeloosheid en zeer onchristelijke levenswandel.”

Nogal wat gemeenteraden traden regulerend op. Van een totaalverbod zagen de meeste bestuurders liever af: dat kon immers het effect hebben dat de jeugd haar vertier elders ging zoeken. Een maatregel in Hontenisse had er bijvoorbeeld toe geleid dat wekelijks zo'n 300 jongeren de veerboot naar Kruiningen namen om daar te dansen.

Wildheid
Zwemer schenkt in zijn nieuwste boek beperkt aandacht aan de –in zijn woorden– wildheid onder jongeren in de naoorlogse periode. De ophef over het onstuimig gedrag (in één gemeente debatteerde de raad zelfs over belletje trekken) illustreert de toestand waarin Zeeland zich het eerste jaar na de Bevrijding bevond. De provincie verkeerde in „een worsteling om orde.”

Zwemer, die in reformatorische kring bekendheid geniet vanwege zijn proefschrift ”In conflict met de cultuur”, beschrijft de vijf lange jaren van de wederopbouw van de provincie in een studie van meer dan 700 pagina's. Het boek ”Zeeland 1945-1950” is het eerste deel van een serie over de geschiedenis van Zeeland in de jaren 1945 tot 1960. Over de periode tijdens de oorlog verscheen al een standaardwerk.

Na de Bevrijding bleek de oorlogsschade in Zeeland omvangrijk te zijn. Alleen al de foto's spreken boekdelen. Zij laten het uitgebrande centrum van Bruinisse zien, de watervloed na de inundatie van Schouwen-Duiveland, een gezonken marinevaartuig voor de haven van Katse Veer en het herstel van de dijk bij Westkapelle. Bruggen en wegen waren kapot, visserij en scheepvaart waren bijna onmogelijk door alle wrakken, mijnen en vernielde kademuren.

Een familie keerde na de evacuatie terug naar haar huis op Schouwen-Duiveland. De Duitsers hadden er gewoond. „Ze hadden het huis helemaal zwart gestookt met drie kachels in een vertrek. Het was verschrikkelijk vuil en kapot”, aldus de vrouw des huizes. „Overal lag kartonnen ontstekingsdraad en in de kachel hadden ze granaten achtergelaten.”

Ds. Kersten
Het herstel van Zeeland was een operatie zonder weerga. Zwemer gaat alle aspecten nauwkeurig na, ook de manier waarop de bevrijde gebieden onder bestuur van het Militair Gezag kwamen. „Het is niet te zeggen hoeveel kleine dingen, in een volkomen ontredderd land, je moest proberen op te lossen”, vertelt een lid van het gezag.

„Bijvoorbeeld een boer, in wiens schuur de Duitsers landmijnen hadden opgeslagen. Voor de ontruiming ervan moest ik contact opnemen met een ministerie. Naar een andere boer probeerde je een ploeg mijnopruimers te dirigeren, omdat die niet verder kon met zijn werk. Maar die opruimers zaten in het veld, dan moest je die gaan zoeken. Wat je nu met een telefoontje zou doen, daar deed je een hele middag over.”

Al snel droegen de militairen hun gezag over aan de burgerlijke autoriteiten. De 101 gemeenten die Zeeland in 1945 telde (anno 2000 zijn er nog zeventien van over) kregen noodgemeenteraden die zo goed en zo kwaad als dat ging voor enige regel moesten zorgen. De samenstelling van colleges verliep niet altijd even voorspoedig. Hier en daar ontstond gekissebis, bijvoorbeeld in Waarde en 's-Gravenpolder. Daar werd de SGP bruutweg aan de kant gezet. Zwemer suggereert als oorzaak „het ietwat geblutste imago van de partij van ds. G. H. Kersten – die tijdens de bezetting verzet principieel afgewezen had.”

Arbeiders
Een centraal thema is de ontwikkeling in de sociale verhoudingen in Zeeland. Volgens Zwemer is de macht van de boeren tussen 1945 en 1950 verder afgebrokkeld. Lokale gemeenschappen werden steeds minder gedomineerd door de boeren. Tijdens de eerste verkiezingen voor de gemeenteraad in 1946 wisten de arbeiders een fors aantal zetels te bemachtigen. Voor de „grote lui was het wel even vreemd dat er een arbeider in de raad kwam”, zo tekende Zwemer uit de mond van een tijdgenoot op.

Verrassend genoeg blijkt de oorlog aan de emancipatie van de arbeiders weinig te hebben bijgedragen, zegt de auteur. Weliswaar had de oorlog een devaluatie van het gezag tot gevolg, maar hij was zeker niet van doorslaggevende betekenis. Volgens Zwemer valt er al ruim voor 1940 een neergang in het aanzien van de boerenstand te bespeuren.

Industrialisatie en mechanisatie zorgden in de jaren '30 en '40 voor een uitstoot van arbeiders uit de landbouw. De bittere armoede maakte het werken bij boeren bovendien onaantrekkelijk. Veel moeite om aan hun belabberde situatie iets te doen getroostten de boeren zich niet. Toen de regering in 1934 rijkssteun gaf aan de landbouw, veranderde er voor de arbeiders niets. De boeren hielden de subsidie in eigen zak.

Doorbraak
Na de oorlog zette de emancipatie van de arbeiders door, temeer doordat er veel geld te verdienen was in de wederopbouwprojecten. De arbeiders werden steeds minder afhankelijk van de boeren. De emancipatie kreeg ook in Zeeland nauwelijks een impuls van de doorbraakgedachte, aldus Zwemer. De socialisten probeerden vergeefs om confessionele arbeiders los te weken uit de hervormde, gereformeerde en katholieke zuilen.

Aanvankelijk leken zij de strijd om de kerkelijke kiezer wel in hun voordeel te kunnen beslissen, zeker toen verschillende predikanten zich aan hun zijde schaarden, zoals ds. F. Don van Oostkapelle. Er rezen vlak voor de verkiezingen stevige debatten. De predikanten, die vooral onder invloed van K. Barth en K. H. Miskotte stonden, werden wel eens te gemakkelijk ervan beschuldigd het christelijk geloof prijs te geven aan de sociale kwestie. Hun inzet voor de misstanden onder de arbeiders vloeide juist voort uit hun christelijk beginsel, aldus Zwemer.

Uiteindelijk was het succes van de doorbraak volgens de auteur „heel matig.” De binding met de confessionele partijen bleek sterk. Dat gold met name de KVP, de CHU en de SGP. En natuurlijk bleef de sociale controle op de achtergrond toch een rol meespelen. Zwemer geeft daar sprekende voorbeelden van. Iemand zei hem: „Die mensen waren zo simpel en eerlijk, dat ze tegen zo'n boer niet durfden liegen als die de volgende dag vroeg: Piet, wat ei-je gestemd? Ze zetten ze zo onder druk, dat dat er toch uitkwam.”