Boekrecensie

Titel: De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888
Auteur: Rienk Janssens

Uitgeverij: Verloren
Hilversum, 2001
ISBN 90 6550 633 0
Pagina's: 411
Prijs: ƒ 66,-

Recensie door A. de Jong - 28 februari 2001

Ontstaan ARP belicht vanuit regionale invalshoek

'Kleine Kuypertjes'

Vorige week verdedigde Rienk Janssens, adjunct-directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie, aan de VU in Amsterdam zijn proefschrift ”De opbouw van de Antirevolutionaire Partij 1850-1888”. Hij beschrijft het ontstaan van de ARP vanuit regionale invalshoek. Dat biedt wetenschappelijk gezien een meerwaarde. Een gemiddeld geïnteresseerde leek leest waarschijnlijk toch liever de levensgeschiedenis van Kuyper.

Het is donderdagavond, 16 mei 1889. De binnenstad van Gouda is in rep en roer. Een politiemacht heeft diverse straten in het centrum afgezet en probeert met de moed der wanhoop een scanderende menigte in bedwang te houden. De stad lijkt in staat van beleg.

Aanleiding tot deze troebelen zijn de kort daarvoor gehouden verkiezingen voor de Provinciale Staten, die door de liberalen zijn gewonnen. Die uitslag leidde tot ernstige ongeregeldheden, zo melden kranten uit die tijd. Bij diverse antirevolutionairen werden de ruiten van hun woonhuis ingegooid, omdat zij weigerden de vlag uit te hangen.

Het moge zo zijn dat bijna nergens in het land de tegenstelling tussen antirevolutionairen en liberalen zo scherp was als in Gouda, toch zijn de relletjes typerend voor een min of meer nieuw verschijnsel in het negentiende-eeuwse Nederlandse staatsbestel: de politisering en democratisering van verkiezingen. Werd tot in de tweede helft van de negentiende eeuw het politieke leven sterk bepaald door aristocratie, familiebanden en clientèle, langzamerhand raakt een steeds groter deel van het Nederlandse volk bij de politiek betrokken en ontstaan, in plaats van kleine netwerkjes rond één politicus, enkele, elkaar bekampende hoofdstromen en partijen.

Eigen program
De levensbeschouwelijke richting die zich als eerste in een politieke partij verenigde was die van de antirevolutionairen. Officieel opgericht in 1879, kwam de partij van Groen van Prinsterer en Kuyper het jaar daarvoor al met een eigen politiek program, waaraan kamerleden die zich met de naam antirevolutionair wilden sieren, gebonden werden. Door de oprichting van hun partij, door hun drang zich te profileren tegenover liberalen en conservatieven en door hun mobilisatie van „het volk achter de kiezers” (dat wil zeggen degenen die door het censuskiesrecht niet tot de stembus werden toegelaten), gaf de ARP een belangrijke stoot tot democratisering en politisering van de politiek.

Het is niet verwonderlijk dat het ontstaan van de antirevolutionaire zuil in het verleden herhaaldelijk en vanuit verschillende invalshoeken is onderzocht en beschreven. Bekend is het boek ”Het volk ten baat” van C. Smeenk en J. A. de Wilde, dat in 1949 verscheen en dat de hele voorgaande geschiedenis van de ARP probeert te beschrijven. Op de beginjaren van de ARP promoveerde zes jaar geleden dr. R. Kuiper, die zich in het bijzonder richtte op het buitenlandse beleid van de antirevolutionairen.

Dominantie
Wat naast al deze studies nog ontbrak, was een grondige en systematische studie van het ontstaan van de ARP als organisatie, beschreven vanuit lokaal perspectief. Zo'n studie zou met name aan kunnen tonen of het in de literatuur geschetste beeld van de dominantie van Kuyper in de opbouw van de ARP juist is.

Dat veel auteurs in het verleden tot die conclusie kwamen, is niet verwonderlijk. Zij richtten zich immers vooral op de ontwikkeling van ideeën en beschreven de groei van de ARP vanuit het centrum en vanuit het perspectief van de grote leiders. Geen wonder dat in dergelijke studies Kuyper een allesbeslissende rol krijgt toebedeeld. Maar zou dit beeld ook standhouden als het ontstaan van de partij van onderaf zou worden bestudeerd, als stap voor stap zou worden nagegaan welke bijdrage al die 'kleine Kuypertjes', door het hele land verspreid, aan de opbouw van de ARP hebben geleverd?

Janssens heeft zich aan deze klus gezet en zich bij zijn onderzoek niet laten afschrikken door de relatieve schaarste van bronnen. Archieven van kiesverenigingen die tot het midden van de negentiende eeuw teruggaan, bestaan in het algemeen niet meer, zo ontdekte de historicus. Ter compensatie daarvan gebruikte hij dagbladen, persoonlijke briefwisselingen en bestaande literatuur. Wie al deze gegevens combineert, kan toch nog een heel eind komen, bewijst het recente proefschrift.

Uithoeken
De conclusie van Janssens is eenvoudig: het bestaande beeld klopt. Abraham Kuyper (1837-1920), democraat in hart en nieren, talentvol organisator en uitstekend netwerker, leverde een cruciale bijdrage aan het ontstaan van de ARP. De grote leider deed zijn invloed tot in de uithoeken van het land voelen, concludeert de promovendus na de lokale ontwikkelingen in vijf plaatsen, te weten Goes, Gouda, Amersfoort, Sneek en Groningen, in de jaren 1850-1888 te hebben onderzocht. Vandaar dat ”Abraham de Geweldige” de omslag van het boek siert, hoewel het onderzoek zich niet diréct op zijn persoon richtte.

Een voorbeeld van de verreikende arm van Kuyper is opnieuw te vinden in het kiesdistrict Gouda. In november 1882 vertrok de Goudse afgevaardigde Patijn uit de Kamer. Direct na het bekend worden van deze vacature spoorde het centraal comité (lees: Kuyper) de Goudse kiesvereniging aan „beginselvast” te werk te gaan bij zoeken van een nieuwe kamerkandidaat.

Maar de grote leider liet het niet bij deze vingerwijzing. Hij gebruikte, zoals hij ook op veel andere plaatsen bij verkiezingen deed, een stroman, in dit geval de hervormde predikant J. G. Verhoeff uit Bodegraven, om de door hem gewenste persoon gekandideerd te krijgen. Kuyper schreef Verhoeff een brief waarin hij jhr. K. A. Godin de Beaufort, lid van de Provinciale Staten van Utrecht, met klem aanbeval. Verhoeff las die brief op de Goudse kiesvereniging voor, waarop Godin de Beaufort met algemene stemmen als kandidaat gekozen werd.

Compliment
Grappig is om te lezen hoe Kuyper kort daarna in De Standaard de antirevolutionairen in Gouda prijst wegens hun „goede organisatie” en „politieke doorzicht” in het kandideren van Godin de Beaufort. Dat dit in feite een compliment aan zijn eigen adres was, zullen niet alle lezers van De Standaard door hebben gehad.

Tijdens de promotieplechtigheid, vorige week donderdag, werd Janssens door de leden van de promotiecommissie herhaaldelijk geprezen over de wijze waarop hij dit onderzoek heeft aangepakt. Nu eens geen geschiedenis bezien door de bril van 'koning' of 'dame', maar een van onderaf beschreven historie waarin het volle licht valt op de 'pionnen' in het land. Ook geen zweverig onderzoek naar ideeën, maar een heldere studie naar feiten en gebeurtenissen.

Die complimenten zijn terecht. Janssens is er met zijn studie in geslaagd het reeds bestaande beeld van het ontstaan van de ARP verder in te kleuren. Dat is niet alleen van belang voor een goede kijk op de rol van Kuyper, maar ook voor een juiste visie op de breuk met de conservatieven, de verhouding tussen het ontstaan van de ARP en de schoolstrijd en de verhouding tussen partijvorming en verzuiling. Al deze thema's krijgen vanuit de regionale invalshoek meer reliëf.

Blijft wel staan dat het van de gemiddeld geïnteresseerde lezer veel moed en doorzettingsvermogen vraagt zich door al die lokale akkefietjes heen te worstelen op de lange weg naar enkele centrale conclusies, die bovendien op zichzelf genomen weinig nieuws of opzienbarends bevatten.