Boekrecensie

Titel: Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart. Een biografie van Paul Rodenko (1920-1976)
Auteur: Koen Hilberdink

Uitgeverij: Meulenhoff
Amsterdam 2000
ISBN 90 290 6843 4
Pagina's: 439
Prijs: ƒ 55,-

Titel: Remco Campert. Al die dromen al die jaren (Schrijversprentenboek 46)
Redactie: Daan Cartens, Aad Meinderts, Erna Staal

Uitgeverij: De Bezige Bij/ Letterkundig Museum
Amsterdam/ Den Haag, 2000
ISBN 90 234 3984 8
Pagina's: 147
Prijs: ƒ 69,50

Recensie door G. J. van de Wege - 21 februari 2001

Afzetten tegen de naoorlogse samenleving

Vijftigers schrijven
vanuit het nulpunt

Van tijd tot tijd worden er met veel ophef vernieuwingen in de literatuur geproclameerd. Niet altijd is hun een lang leven beschoren. Maar er zijn ook vernieuwingen die wel beklijven. De beweging van Vijftig, die na de Tweede Wereldoorlog furore maakte, is daarvan een goed voorbeeld. De afgelopen tijd verschenen er verschillende studies over enkele Vijftigers: Paul Rodenko kreeg een biografie, Remco Campert een schrijversprentenboek.

Waar stond Vijftig voor? Over één ding waren alle vertegenwoordigers het eens: de literatuur, en met name de poëzie, mocht niet blijven zoals ze voor de Tweede Wereldoorlog geweest was. In een cultuur die alles bij het oude wilde laten, die de vooroorlogse maatschappij en cultuur wilde voortzetten alsof er niets was gebeurd, waren de Vijftigers van mening dat alles moest veranderen. Niet toevallig waren velen van hen in politieke zin radicaal links georiënteerd. Deze vernieuwingsdrang kreeg zijn weerslag in een nieuwe literatuur, niet in de laatste plaats omdat de revolutionaire dichters vonden dat de literatuur niet een gebied was dat terzijde van het leven stond, maar dat juist helemaal met het leven samenviel.

Campert
Een Vijftiger van het eerste uur is Remco Campert (1929). Op dit moment is er in het Letterkundig Museum in Den Haag een expositie over zijn leven en werk. Traditiegetrouw verschijnt als catalogus bij de tentoonstelling een zogenaamd schrijversprentenboek: een bundel artikelen over de betreffende schrijver, voorzien van veel afbeeldingen, foto's en ander tentoonstellingsmateriaal. De titel is afkomstig uit Camperts gedicht ”1975”, waarin de poëtische idealen van de Vijftigers tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog worden gerelativeerd: „Al die dromen al die jaren/ steeds weer dat kind op 't platgebrande station/ de hoge gillen in de kazerne/ waar je stem die mooie vaas/ werd stukgetrapt”.

Ook bij Campert treft het gevoel van euforie dat na de bevrijding in de kring van de Vijftigers heerste, het gevoel dat er nu echt iets ging veranderen. Campert schreef: „Ik heb enkele jaren bij Bert Schierbeek gewoond, net als Lucebert. In die tijd ben ik eigenlijk gevormd. Het was meer dan een vriendenclub, het was voor mij een soort familie, iets wat ik altijd had gemist. Ik ontdekte op alle fronten het leven, alles kwam tegelijk, mijn eerste verliefdheden, mijn schrijverschap.”

Verlegen lyricus
Opvallend is hoezeer de figuur van Campert verschilt van iemand als zijn bentgenoot Lucebert. Terwijl bij de laatste alles groots, romantisch, gedreven en gepassioneerd is, zou je Campert veeleer –met de woorden van Paul Rodenko– moeten omschrijven als een verlegen lyricus. In de enorme hoeveelheid boeken, boekjes, columns en gedichtenbundels die hij schreef, komt hij naar voren als iemand die de uitzichtloosheid van dit leven met milde ironie en een vleugje sentiment beschrijft. Ton Anbeek stelt in zijn bijdrage over het proza van Campert dan ook dat zijn romans uit de jaren '60 een breuk betekenen met het heersende depri-realisme: de ontstellend sombere boeken van schrijvers als Hermans, Blaman en Van het Reve. Ook Camperts luchthartige experimenten met de vorm en met de vertelconventies dragen hieraan bij. Op grond hiervan pleit Anbeek voor een herwaardering van Campert als prozaïst.

Verder zijn in dit schrijversprentenboek te vinden: een (bewust) fragmentarische biografie, opstellen over Camperts schrijverschap en zijn taalgebruik en een mooi stuk van Martin Reints over de poëzie. De vele foto's weten af en toe iets van de sfeer van de jaren '50 over te brengen. Althans, de sfeer in de kunstenaarsmilieus, met veel drank, steeds andere meisjes en een tamelijk losse moraal – de kloof tussen de kunstenaars en de burgerlijke maatschappij was diep en breed.

Rodenko
Een totaal andere figuur, wiens naam ook vaak valt wanneer het over Vijftig gaat, was Paul Rodenko (1920-1976). Vooral als essayist en bloemlezer was hij bij de beweging betrokken, maar ook zijn gedichten zijn wel als experimenteel te karakteriseren. Van zijn bloemlezing ”Nieuwe griffels schone leien” werden vele tienduizenden exemplaren verkocht. Rodenko plaatste de Vijftigers in de traditie van de moderne Nederlandse poëzie; internationaal denkend als hij was situeerde hij hen ook in de lijn van de Europese avant-garde. Toch zei de Vijftiger Simon Vinkenoog later: „Rodenko was voor ons allen een vreemde.” En toen een tweede bloemlezing van Rodenko, ”Met twee maten”, door enkele Vijftigers zwaar werd bekritiseerd, zei hijzelf: „Ik behoor niet tot de Vijftigers en heb me nooit geroepen gevoeld hun profeet te zijn.”

Rodenko was een buitenstaander, en niet alleen bij de beweging van Vijftig. Uit de biografie die Koen Hilberdink over hem schreef blijkt dat het als het ware zijn levensmotto was: ”Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart.” Het was niet alleen een positie waaraan Rodenko was overgeleverd; hij zocht haar ook. Zijn leven lang verkondigde hij halve waarheden over zijn afkomst en over zijn jeugd, hij riep een persoonlijke mythe in het leven om zijn geïsoleerde positie te rechtvaardigen.

Sterke mannen
Wat dat betreft hebben we het goed getroffen met zijn biograaf. Hilberdink heeft na veel onderzoek en met bijna chirurgische precisie een groot deel van Rodenko's mythologie –hij zou een Rus zijn, met de befaamde Russische ziel; hij zou als een onbeschreven blad met de Nederlandse poëzie hebben kennisgemaakt, met Achterberg als eerste dichter– als zodanig aan de kaak weten te stellen. Het mooie van Hilberdinks biografie is dat hij desondanks met liefde over Rodenko blijft schrijven.

Het beeld dat hij van Rodenko schetst is dat van een schuchtere, stotterende man, ontzaglijk geleerd (je hoeft maar een paar regels Rodenko te lezen en zijn eruditie stroomt je tegemoet), zeer betrokken bij de literatuur, steeds op zoek naar zichzelf, en in het leven overgeleverd aan verschillende sterke mannen. In de eerste plaats wel zijn vader, een emigrant uit Odessa. Hij was een buitengewoon kleurrijke figuur, een malafide handelaar, die met zijn gezin om de haverklap verhuisde van Den Haag naar Riga naar Berlijn en weer terug.

Later kwam Rodenko onder de hoede van de Haagse uitgever Bert Bakker. Bakker, een sterke persoonlijkheid, sloot Rodenko via imponerend gedrag, financiële regelingen en beloftes verstikkend in zijn armen. Tot op het laatst van zijn leven zat Rodenko in grote financiële nood, die hij probeerde af te wenden door werk aan zijn uitgever te beloven. Maar negen van de tien keer maakte Rodenko zijn werk niet af of kwam zelfs niet aan beginnen toe. De tiende keer leverde het Rodenko te weinig op om van te leven, al was het alleen maar doordat hij met grote regelmaat door rampspoed werd geplaagd. In de laatste periode van zijn leven brandde een deel van zijn huis in Zutphen af, nadat eerder al het huis van zijn ouders tijdens het bombardement op het Haagse Bezuidenhout (1945) werd verwoest, inclusief het werk dat hij daar had liggen.

Antiburgerlijk
Met de Vijftigers had Rodenko zijn afkeer van de burgerlijkheid gemeen. De samenleving, die hij „heren: meervoud” noemde, was een grote vijand; niet voor niets was Rodenko –theoretisch, in elk geval– het anarchisme toegedaan. Scheppen is vernietigen, de politieke spelregels moeten vanuit een vacuüm ontstaan. De parallellen met het creatieve proces zijn duidelijk: ook daar moest volgens Rodenko en de Vijftigers bij een nulpunt worden begonnen.

Rodenko kon zijn antiburgerlijkheid uitleven toen hij in 1964 een lezing mocht houden voor een Friese bibliotheekdienst. Het ging om de vraag welke boeken ”zedelijk” waren en dus konden worden aangeschaft. Dat was destijds een actuele vraag: juist in deze periode werd Gerard van het Reve, door toedoen van de ARP'er Algra en de SGP'er Van Dis, vervolgd vanwege blasfemisch-obscene passages in zijn werk. Rodenko verdedigde in zijn lezing de obscene literatuur.

Op dit punt vertoont Hilberdinks biografie een nogal stupide drammerigheid en een totaal gebrek aan inlevingsvermogen. De schampere en ironische manier waarop Hilberdink over Van Dis en Algra schrijft lijkt me, zelfs voor wie tegen elke vorm van censuur is, blijk te geven van een gemis aan besef hoezeer een vorm van literatuur als die van Reve destijds revolutionair was, en hoezeer indruisend tegen de restanten christelijkheid die nog in de samenleving aanwezig waren.

Opportunist
Hilberdinks toon contrasteert hier merkwaardig scherp met die in passages een twintigtal bladzijden eerder. Hij schrijft daar half neutraal en half vergoelijkend over de hyperintelligente Paul Rodenko die als Utrechts student psychologie –nota bene!– tot twee keer toe de loyaliteitsverklaring aan de Duitse macht tekende. Hij kon daardoor, samen met 342 andere studenten, waaronder veel NSB'ers, tot in 1944 college blijven lopen. Maar Rodenko kon bijna niet anders, aldus Hilberdink: hij stond onder druk van zijn hoogleraren en van zijn vader. Wanneer je Algra en Van Dis als achterlijke reactionairen afschildert, moet je Rodenko hier minstens een opportunist of een lafbek durven noemen. Op deze punten vertroebelen Hilberdinks eigen opvattingen een eerlijke kijk op het gebeuren.

Rodenko stond in het leven als een voortdurende verliezer. Gelukkig is zijn leven daardoor niet geweest. Uiteindelijk verloor hij het van de drank. Het lijkt bijna een erfelijkheidskwestie: in 1960 was Rodenko's vader overleden aan de gevolgen van drankmisbruik. Rodenko zelf overleed in 1976 als chronisch alcoholist, vereenzaamd en geïsoleerd van de literaire wereld, al beleefde hij juist toen een kleine revival. En, om het verhaal af te maken, in 1986 overleed zijn zoon Dimir op zeventwintigjarige leeftijd. Ook hem was de drank noodlottig geworden. Het geeft deze biografie een nogal tragisch getint slot. Maar Russischer had het verhaal niet kunnen aflopen.