Boekrecensie

Titel: Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823. Dagboek van zijn voetreis door Nederland
Bezorgd door Geert Mak en Marita Mathijsen

Uitgeverij: Waanders
Zwolle, 2000
ISBN 90 400 9513 2
Pagina's: 287
Prijs: ƒ 49,50

Recensie door C. A. de Niet - 19 december 2000

Reisdagboek Jacob van Lennep opnieuw uitgegeven

De toestand in het koninkrijk

Bijna twee eeuwen geleden kwamen in de buurt van Hoogeveen adders van 2 voet lengte voor. Een moedige jongeman op trektocht bevrijdde als een tweede Hercules de buurt van dit angstwekkende ongedierte. Omstuwd door jongens uit het dorp, die lofzangen op zijn dapperheid aanhieven, droeg hij een aan zijn stok gebonden exemplaar de plaatselijke herberg in en bracht daar schrik en ontsteltenis teweeg. Zijn reisgenoot verwachtte niet anders dan dat eerlang ter ere van deze ”Dirk de Slangendoder” Hoogeveense spelen opgevoerd zouden worden.

Die reisgenoot was Jacob van Lennep, de zoon van de Amsterdamse hoogleraar David Jacob van Lennep, en de actie tegen het Drentse adderengebroed werd ondernomen door Dirk van Hogendorp, de zoon van Gijsbert Karel van Hogendorp, die als lid van het roemruchte Driemanschap aan de wieg van het Koninkrijk der Nederlanden gestaan heeft.

Het verhaal wordt door Van Lennep verteld in het ”Dagboek van mijn reis in 1823, gemaakt door de provincies Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht en Zeeland, van 28 mei tot 2 september 1823”. Dit dagboek is door Jacob achteraf samengesteld uit brieven die hij tijdens de reis aan zijn zuster Antje geschreven had. Tot een publicatie ervan is het tijdens Van Lenneps leven echter niet gekomen. Pas in 1942 verscheen het voor het eerst. Onder de titel ”Lopen met Van Lennep” hebben Geert Mak en Marita Mathijsen het nu hertaald en in bewerkte vorm opnieuw uitgegeven. De oorspronkelijke tekst kan via internet geraadpleegd worden.

Inspectietocht
Dat studenten na de afronding van hun studie een grote reis maakten, was destijds heel gebruikelijk. Minder vanzelfsprekend is echter het reisdoel dat de toen eenentwintigjarige Jacob en de vier jaar oudere Dirk kozen. Zij maakten geen 'grand tour' langs de culturele centra van Europa, maar een soort inspectietocht door het koninkrijk, waarbij zij talloze kennissen van beide families opzochten en –letterlijk in het voorbijgaan– allerlei wetenswaardigheden over de toestand in het koninkrijk noteerden.

Dat Koninkrijk der Nederlanden bestond in 1823 nog maar kort. Acht jaren waren verstreken na de slag bij Waterloo, waarmee de macht van Napoleon gebroken werd, en het Congres van Wenen, dat Nederland en België samenvoegde tot een nieuwe natie. Maar terwijl elders in de westerse wereld op cultureel gebied topprestaties geleverd worden en op het politieke terrein Wenen en Parijs de dienst uitmaken, ligt, aldus Mak en Mathijsen in de openingsalinea van hun fraaie inleiding, „in een verre uithoek van Europa de ooit zo machtige Republiek der Zeven Provinciën onder een nieuwe naam weg te rotten, vrijwel vergeten in de Weense en Parijse kringen, met een hoofdstad vol verschimmelde paleizen uit de zeventiende eeuw, vol kunstschatten achter gesloten voordeuren.”

Het Nederland dat in het dagboek voor ons geestesoog verrijst is een stil, een in zichzelf gekeerd land, dat volgens de inleiders „leefde in de laatste jaren van de diligence, ganzenveer en tondeldoos, van besloten dorpen en landstreken, van stadspoort en wildernis.” Maar het was ook een redelijk veilig land waardoor de jongelui merendeels te voet trokken. In een beschouwelijk stuk over de bewoner van de Drentse woeste gronden noteert Van Lennep: „Zijn belang houdt hem verknocht aan zijn dorp en aan zijn hut. Hij weet niet en wil ook niet weten of er ook nog andere plaatsen of landen in de wereld zijn, buiten zijn dorp en de twee of drie die hij in de verte ziet maar nooit bezocht heeft. (…) Omdat er niets bij hem te vinden is dat de hebzucht van een bedrieger opwekken kan, wordt hij dan ook door geen enkele vreemdeling bedrogen. Waarom zou hij, die gewend is vriendelijk om te gaan met de buurman die hij nodig heeft, een reiziger onbeleefd behandelen? Goedwillig kijkt hij hem aan als iemand van wie hij niets te hopen noch te vrezen heeft, en uit gewoonte behandelt hij hem net als zijn buurman.”

Dagreizen
We treden in het voetspoor van Van Lennep en Van Hogendorp een wereld binnen die in sociaal opzicht nog alle kenmerken van de oude standenmaatschappij heeft. De afstand tussen de maatschappelijke bovenlaag waartoe de beide pas afgestudeerde studenten behoorden, en de andere bevolkingsgroepen in de samenleving is nog zeer groot. Schrijnend treedt dit aan de dag in de beschrijving van de strafkolonie Ommerschans. Overigens blijkt in het bij tijd en wijle meer studentikoos-lollige dan serieuze verslag van hun reis ook dat de beide jongeheren zich van die afstand zeer bewust waren. Een bijzondere antipathie lijkt Van Lennep wel gehad te hebben tegen aannemers; ze zijn in zijn ogen cultuurbarbaren, die zich op kosten van burgers en overheden mateloos verrijken door wanprestaties te leveren. En met grafelijke arrogantie zet Van Hogendorp onwillige kasteleins op hun nummer en blaft hij lastige koddebeiers af.

De titel waaronder het dagboek nu verschenen is, mag heel letterlijk genomen worden. De industriële revolutie moet in 1823 nog op gang komen. Spoorwegen zijn er nog niet; de snelste verbinding is die van de ”vliegende schuit” tussen Amsterdam en Utrecht, die aangejaagd wordt met galopperende paarden. En dagreizen maken betekent 's morgens tegen vier of vijf uur opstaan om zo lang mogelijk van het daglicht te profiteren, want er is geen straatverlichting. De doorgaande wegen zijn nog maar in zeer geringe mate verhard en de landwegen al helemaal niet. Wel zijn er vele tolhekken en nog meer herbergen langs de route te vinden. De eerste tekenen de afwezigheid van de eenheidsstaat in de binnenlandse verhoudingen; de tweede illustreren op hun manier de toestand van de wegen en de daaraan verbonden geringe reissnelheid. Als een regenbui de reizigers overvalt, behoeven ze meestal niet lang te zoeken naar een schuilplaats van die aard. Het regende trouwens wel vaak in die zomer van 1823!

Geestelijke horizon
In hun studietijd waren Van Lennep en Van Hogendorp sterk onder de invloed van Bilderdijk gekomen, de grote bestrijder van de geest van godloosheid en liberalisme, en vurig pleitbezorger van Nederland als protestantse natie. Bezien tegen deze achtergrond lijkt het wat merkwaardig dat zijn discipelen, althans Van Lennep, maar heel zelden tot een werkelijk positief oordeel komen over de preken die zij horen wanneer zij, niet elke zondagmorgen trouwens, ter kerke gaan. „Van Hogendorp, Blaubeen en ik hadden moeite om ons lachen in te houden. Nooit heb ik zoveel onzin, pedanterie en malligheid gehoord”, noteert Van Lennep bijvoorbeeld naar aanleiding van een preek van ds. Oosterdijk te Goes.

Elders blijkt wel dat zij eenheid van leer en leven, in ieder geval bij anderen, op hoge prijs stellen. Zo bezoeken zij op aanbeveling van Capadose in Zutphen de tot het christendom bekeerde Jood Rosenstein. Deze zou een zeer vroom en vurig christen zijn, maar hij wordt door de beide jongeheren voor schut gezet als een charlatan, die „met zijn masker van godsdienst alleen degenen bedriegen kan die onbekend zijn met de hoofdzaken en de voornaamste geschilpunten van het geloof.” Van Hogendorp schrijft kort daarop een brief aan Da Costa om hem te waarschuwen voor vriendschap met zo'n huichelaar.

Ook uit deze voorvallen blijkt dat de geestelijke horizon van de heren beperkt is tot de eigen maatschappelijke kring. De eenvoudige vromen, die er zeker geweest zullen zijn in dat stille, vroegnegentiende-eeuwse Nederland, komen niet in beeld.

”Lopen met Van Lennep” is een goudmijn voor historisch onderzoek van de vroege negentiende eeuw in Nederland. Als egodocument kent het in dat opzicht echter ook zijn beperkingen. De lezer moet er voortdurend rekening mee houden dat hij naar die tijd kijkt door een sterk persoonlijk gekleurde bril, die een belemmering vormt voor een werkelijk objectieve oordeelsvorming.

De oorspronkelijke tekst van de reisverslagen van Van Lennep en Van Hogendorp kan geraadpleegd worden op www.negentiende-eeuw.nl.

In Kasteel Groeneveld, Groeneveld 2 te Baarn is tot en met 22 maart a.s. de tentoonstelling ”De zomer van 1823. In het voetspoor van Jacob van Lennep” te zien.