Boekrecensie

Titel: Pieter Langendijk
Auteur: Kees Smit

Uitgeverij: Verloren
Hilversum, 2000
ISBN 90 6550 099 5
Pagina's: 382
Prijs: ƒ 66,00

Recensie door dr. L. Engelfriet - 15 november 2000

Langendijk wist Molière zelfstandig na te volgen

Om de klucht, niet
om de verdienste

Pieter Langendijk (1683-1756) was onze belangrijkste blijspeldichter na Bredero. Met deze vergelijking begint en eindigt Kees Smit zijn dissertatie over de Nederlandse Molière.

Langendijks doopsgezinde voorouders, linnenhandelaars in de Langendijk boven Alkmaar, waren uitgeweken naar Holland. Dat was calvinistisch en tolerant. In 1637 bijvoorbeeld verschenen er gelijktijdig zowel de monumentale Statenvertaling als het hoofdwerk van de verlichte wijsgeer Descartes. In hetzelfde jaar werd de ”Gijsbreght” van Vondel, evenals Langendijk afkomstig van een uitgeweken doopsgezinde familie, opgevoerd. Smits biografisch onderzoek werd overigens bemoeilijkt door het ontbreken van genealogische gegevens in de doopboeken van 1800. Mennisten wijzen immers de kinderdoop af.

Zedenblijspel
Na Vondels treurspelen en Bredero's blijspelen besteedt vrijwel elk schoolboek aandacht aan ”Het wederzijds huwelijksbedrog” van Langendijk, dat tussen 1714 en 1979 ettelijke malen is opgevoerd en gedrukt. De intriges waarmee de arme adel in dit zedenblijspel in touw is om tegenover toekomstige partners zijn (wel)stand op te houden, waren niet strijdig met het toenmalige huwelijksrecht. Daarom vindt Langendijks biograaf Smit de morele veroordeling van dit stuk ongegrond. Het kluchtige blijspel ”Krelis Louwen”, over een boer die weigert zijn dochter met een koopman te laten trouwen, maakte echter meer furore. Het populairst werd Langendijks debuut, ”Don Quichot op de bruiloft van Kamacho”. Een voorstelling hiervan werd in 1717 bijgewoond door de vrouw van tsaar Peter, op bezoek in Amsterdam.

De geëngageerde Langendijk debuteerde als dichter in 1706 met een zegezang over een overwinning op dwingeland Lodewijk XIV. Zijn vrijheidsdrang bepaalde zijn politieke voorkeur en verklaart zijn afkeer van het pauselijk gezag. Hij schreef vele huwelijksgedichten, die de hechte eenheid van zijn doopsgezinde kring weerspiegelen. Langendijk liet zich pas op zijn sterfbed onder de indruk van de twaalf artikelen van het christelijk geloof dopen. Het speet hem doop en avondmaal voordien te hebben afgewezen. Hij is begraven in de Haarlemse Nieuwe Kerk.

Deze biografische gegevens en veel meer over de artistieke loopbaan van Langendijk onthult C. G. M. Smit in zijn fraai uitgegeven proefschrift. Op de omslag prijkt het bekende paneeltje van Bathséba die uit de hand van een oude vrouw een minnebrief ontvangt, van Jan Steen. Het hing bij Langendijk in Haarlem aan de muur, totdat hij zijn kunstbezit moest verkopen om een faillissement te ontlopen. Toch was hij niet de arme broodschrijver waarvoor hij versleten wordt, al liet zijn drankzuchtige moeder, die haar linnenwinkel liet verkopen, slechts schulden na. Pas na haar dood in 1727 trouwde hij. Op zijn bruid, die twaalf jaar later kinderloos stierf, schreef hij zelf een huwelijksgedicht.

Huwelijk
Het huwelijk is het centrale thema van de eerste vijf toneelstukken van Langendijk. Die brengt Smit onder in zijn eerste creatieve periode in Amsterdam. Daar groeide hij op in de kring van de quakers bij de taalkundige Willem Sewel. Bij hem ontmoette hij de zoon van hun leider William Penn. De quakers vrezen alleen God, zijn wars van leergezag, schaffen de doop af en weigeren de eed. Niet een predikant, maar geïnspireerde vrouwen en mannen voeren in hun kring het woord. Een deel van de familie van Langendijk koos hun zijde. Langendijks afkeer van geweld, zijn late doop en de vrouwvriendelijke inslag van verschillende kluchtige blijspelen zijn tot de ideeën van de quakers te herleiden.

Smit kan Langendijks voorliefde voor kluchten en blijspelen anders dan uit zijn vrolijke aard niet verklaren. De toonaangevende huwelijksdichter verdiende er niets mee. Pas in zijn sterfjaar zegt de schouwburg hem als eerste toneelschrijver een aandeel van de opbrengst toe. Naast de Amsterdamse periode onderscheidt Smit een Haarlemse periode. Door de tweedeling Haarlem-Amsterdam plaatst hij zowel leven als werk van Langendijk in zijn tijd en omgeving. De overvloedige literair-historische en biografische gegevens, verkregen via twintig jaar intensief speurwerk in archieven, bibliotheken en musea, worden zorgvuldig tot een leesbare eenheid verwerkt. Daardoor komen veel meer facetten van Langendijk uit de verf dan zijn activiteit als dichter van kluchten en blijspelen. Hij graveerde gedenkpenningen en kreeg in 1749 een aanstelling als stadsgeschiedschrijver.

Keerpunt
In 1715 krijgt Langendijk het vererende verzoek voor de Haarlemse rederijkerskamer ”Trouw moet blijken” een jaardicht te schrijven. Dit gedicht, ”Emmanuël”, vol wonderlijke tegenstellingen in de geest van het kerstfeest betekent een keerpunt in het leven en het werk van Langendijk. Christendom en geschiedenis komen op de voorgrond. Amsterdam en de schouwburg raken op de achtergrond. Alleen de winsthandel wordt nog dramatisch gehekeld; Langendijk bedient zich daarbij van het dubieuze cliché van de Joodse speculant. Maar pas na zijn dood duiken ”Xantippe” over de ondergeschikte positie van de vrouw en ”Spiegel der vaderlandsche kooplieden” op.

Smit vindt zijn laatste spel eerder beklemmend dan humoristisch. Het weerspiegelt de decadentie van het achttiende-eeuwse Amsterdam, waarin de ouderen zich aan de verkwisting van de jongeren ergerden. Niet meer alleen de weelderige levensstijl van rijke mennisten, maar de hele koopmansstand nam Langendijk onder vuur. Smit noemt de ”Spiegel” het testament van Langendijk als geëngageerd auteur. Gedichten over de Hollandse graven en de levensloop der aartsvaders tonen zijn christelijk-historische voorkeur. In bijschriften bij een serie prenten, geïnspireerd door Jan Luyken, was zijn voorliefde voor de eenvoud van de eerste christenen reeds gebleken.

Waardering
Smit laat de constanten in het werk van Langendijk in zijn heldere studie duidelijk uitkomen: de moralistische afkeer van geldzucht en de voorliefde voor eenvoud en belijnde schoonheid. Met zijn regelmatige alexandrijnen volgde hij de Frans-classicistische school. Zou Langendijk het niveau van Molière bereikt hebben, als hij na 1715 met het schrijven van blijspelen was doorgegaan? Smit veronderstelt dat. Langendijk miste echter de scherpte van Molière. Als ouder puntdichter ontbreekt hem de bondigheid van Huygens. De zachtaardige, naïeve Langendijk, die naar eigen zeggen geen uur haat kon dragen, beschikte niet over voldoende mensenkennis om Molière te kunnen evenaren. Wat dat betreft blijft hij ook bij de geestige Bredero achter.

Smit wikt en weegt vele beoordelingen van Langendijk, onder andere die van de doopsgezinde Willem de Clercq. In zijn verhandeling over vreemde invloeden op onze letterkunde noemt De Clercq de vernuftige Langendijk onze beste kluchtenspeldichter, omdat hij de Nederlandse klucht veredeld heeft. Mijns inziens is dat mede te danken aan de adellijke sfeer van zijn eerste blijspelen. Dr. Kees Smit maakt aannemelijk dat Langendijk zijn grote voorbeelden Molière en Bredero zelfstandig heeft verwerkt. Dankzij zijn ”jok en ernst” en zijn moderne taalgebruik zijn de vaak herdrukte teksten het spelen en zeker het lezen waard.