Boekrecensie

Titel: Leven en leer van beroemde filosofen
Auteur: Diogenes Laërtius; vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. Rein Ferwerda

Uitgeverij: Ambo-Olympus
Amsterdam, 2000
ISBN 90 263 1617 8
Pagina's: 519
Prijs: ƒ 49,50

Recensie door dr. C. A. de Niet - 15 november 2000

Filosofenbiografieën bevatten veel vermakelijke details

De trouwhartige Diogenes

Sommige boeken ontlenen hun waarde vooral aan andere boeken die erin vermeld of verwerkt zijn. Dit gaat ook op voor de levensbeschrijving van denkers uit de klassieke oudheid door Diogenes Laërtius. De vertaling die dr. Rein Ferwerda onder de titel ”Leven en leer van beroemde filosofen” van zijn werk maakte, is in een herziene uitgave opnieuw op de markt gebracht.

Diogenes Laërtius leefde omstreeks het begin van de derde eeuw van onze jaartelling. Hij is de auteur van een verzamelwerk over Griekse wijsgeren en van een bundel poëzie in verschillende dichtmaten. Veel meer dan dit weten we niet van hem. Zijn epigrammen zijn alleen bekend voorzover hij die opgenomen heeft in zijn ”Leven en leer van beroemde filosofen”.

Eigenlijk is Diogenes Laërtius dus ”de man van een boek”. Of de naam iets onthult over zijn geboortestad of woonplaats, is niet zeker. Als dat inderdaad het geval is, zou het moeten gaan om het Klein-Aziatische stadje Laërte. Aan het einde van de negentiende eeuw is door de beroemde filoloog Wilamowitz de gedachte geopperd dat de naam waaronder Diogenes zijn filosofenbiografieën publiceerde, een pseudoniem geweest is waarmee hij wilde verwijzen naar een van de homerische aanduidingen voor de held Odysseus, „de aan Zeus ontsproten zoon van Laërtes.”

Dat zou dan wel een tamelijk arrogante toeëigening van een schrijversnaam geweest zijn, want de spreekwoordelijke slimheid van Odysseus is niet het eerste waaraan men bij lezing van Diogenes' boek denkt. Dat hij een daarbij passend zelfbesef gehad heeft, lijkt mij niet zeer waarschijnlijk, want zijn filosofenbiografie valt meer op door de onbekommerde trouwhartigheid waarmee hij allerlei aan anderen ontleende anekdoten en andersoortige berichten over de besproken filosofen doorgeeft, dan door de zelfstandigheid van oordeel. In dat doorgeven van wat anderen te berde gebracht hebben, ligt dan ook het grootste belang van zijn werk.

Indirecte bronnen
Veel meer dan aan de geschriften van de filosofen zelf ontleent Diogenes Laërtius de bouwstenen voor zijn verhalen aan indirecte bronnen als verhandelingen over bepaalde wijsgerige scholen en stromingen, uiteenzettingen over een thema uit de filosofie (de zogeheten doxografieën) en spreukenverzamelingen. Verreweg de meeste van deze indirecte bronnen zijn voor ons verloren gegaan, zodat we niet kunnen controleren hoe de auteur die gebruikt heeft. Dat zijn omgang met het materiaal echt kritisch geweest is, lijkt niet waarschijnlijk. „In sommige gevallen vraagt men zich af of hij zelf wel begrepen heeft wat hij zo trouwhartig aan ons doorgeeft,” zegt dr. Ferwerda in zijn inleiding.

Ferwerda wijst er ook op dat we niet weten of de auteur tot een bepaalde filosofische school behoorde. In ieder geval moet ”Leven en leer van beroemde filosofen” ontstaan zijn voordat het neoplatonisme school maakte, want over Plotinus, die leefde van 205 tot 270, spreekt Diogenes niet.

In de tien boeken waarin het werk ingedeeld is, treffen we meer anekdoten over het leven dan analyses van de leer der filosofen aan. We lezen wel sappige details uit het leven van Socrates en zijn lastige vrouw Xantippe, bijvoorbeeld, maar vinden er geen samenvattende beschouwing over wat Plato's leermeester voor ogen stond.

Onvolledig beeld
Het is al evenmin een chronologisch overzicht van de Griekse filosofie, want een voor-socratische denker als Heraclitus komt pas in het negende boek aan de orde, terwijl aan Socrates in het tweede boek aandacht gegeven wordt en het gehele derde boek aan Plato gewijd is. „Als we alleen Diogenes' getuigenis over Plato en Aristoteles zouden kennen, zouden we van deze filosofen een zeer eenzijdig en onvolledig beeld hebben gekregen,” aldus Ferwerda. In zijn behandeling van de stoïcijnen, de sceptici en Epicurus ontstijgt Diogenes echter wel aan het niveau van de anekdotiek.

Ferwerda's vertaling is adequaat en zorgvuldig. Dat geldt ook voor zijn benadering van de tekstkritische problemen in het Griekse origineel. Maar een vertaler is uiteraard niet in staat het voor hedendaags besef nogal rommelige boek op een hoger peil te brengen, hoe zorgvuldig hij ook te werk gaat.