Boekrecensie

Titel: Bewogen betrekkingen. 400 jaar Nederland-Japan
Redactie: Leonard Blussé

Uitgeverij: Teleac/NOT
Utrecht, 2000
ISBN 90 6533 545 5
Pagina's: 288
Prijs: ƒ 59,90

Recensie door A. Jansen - 5 april 2000

Liever koopman
dan dominee

De viering van 400 jaar betrekkingen tussen Nederland en Japan gaat terug op de exclusieve rol die Nederland 400 jaar geleden in Japan verwierf als handelaar en als venster op de wereld. Maar tegen welke prijs gebeurde dat? Er is voor Nederlanders weinig reden trots te zijn op deze vroege fase, waarin de koopman rustig de dominee liet opknopen.

Wellicht weet u het nog niet, maar dit jaar –om precies te zijn op 19 april aanstaande– vieren Nederland en Japan het feit dat ze 400 jaar betrekkingen onderhouden.

Ter gelegenheid van dat jubileum kwam vorige maand een jubileumboek uit, waaraan een groot aantal auteurs –allemaal specialisten op het gebied van Japan– een bijdrage hebben geleverd. De fraai geïllustreerde uitgave, getiteld ”Bewogen Betrekkingen, 400 jaar Nederland-Japan”, dient tegelijk als cursusboek bij de gelijknamige tv-serie. Natuurlijk wordt in het boek aandacht besteed aan Nederlands-Indië: de bezetting ervan door de Japanners in de jaren '40 van de vorige eeuw is bij uitstek een periode waarop de typering „bewogen betrekkingen” van toepassing is. Nog onlangs raakten de relaties 'bewogen' door het excuus dat premier Kok in Tokyo kwam halen bij premier Obuchi, vanwege de Japanse agressie in Indië. En nu de keizer in mei naar Nederland komt, zullen we dit jubileumjaar nog wel meer beroering meemaken.

Venster
Het boek staat uitvoerig stil bij de eerste contacten tussen de twee landen, gedurende de wonderlijke periode waarin Nederland voor Japan het exclusieve venster op de wereld was.

Op 19 april 1600 strandde het Nederlandse schip de ”Liefde” op de kust van Kyushu, het zuidelijkste (grote) eiland van Japan. Na een desastreus verlopen reis haalde het schip zijn einddoel, als enige van de twee jaar eerder uit Rotterdam vertrokken vloot. Van de nog in leven zijnde 25 opvarenden konden slechts enkelen op eigen kracht van boord. De overigen waren te zwak of te ziek. Maar de stranding van de ”Liefde” werd het begin van maar liefst twee eeuwen winstgevende handel tussen de VOC –vanuit standplaats Batavia– en Japan.

Het jaar 1600 was ook voor Japan een historisch jaar. Na ruim honderd jaar burgeroorlog wist de krijgsheer Tokugawa Ieyasu de overmacht te krijgen en het land vrede op te leggen. Het aloude keizerrijk Japan bleef zonder keizer, maar werd voortaan gerund door diens hoogste militair, de shogun. Zijn bestuursapparaat, bekend onder de term bakufu, zetelde in Edo, het latere Tokyo. De periode van de shoguns, bekend als de ”Edo- of Tokugawa-periode”, duurde van 1600 tot 1867.

Portugezen
Nu waren de berooide Nederlanders niet de eerste West-Europeanen die op Kyushu voet aan land zetten. De Portugezen waren hen voor geweest in 1543 en Nagasaki had bepaald niet geleden onder hun aanwezigheid: de winstgevende zijdehandel die het tussen China en Japan onderhield, had van de stad een welvarende plek gemaakt. Maar de Portugezen brachten nog iets mee: het christelijk geloof. De bekende jezuïeten-missionaris Francis Xavier arriveerde in 1549 in Japan en na hem volgde nog een heel leger zendelingen. Het 'nieuwe geloof' verspreidde zich snel en enkele honderdduizenden Japanners in en rond Nagasaki kwamen tot geloof. De Portugezen zorgden in Japan voor wat ”het christelijke tijdperk” is gaan heten.

Toen de Nederlanders aanspoelden, was het tij al gekeerd, want in 1597 was door de toenmalige heersers een edict tegen het christendom uitgevaardigd. Het werd prompt bekrachtigd door de kruisiging van 26 buitenlandse priesters en Japanse christenen. Onder de shoguns die vanaf 1600 de touwtjes in handen hadden, werd dit antichristelijke beleid voortgezet.

Het feit dat de Nederlandse drenkelingen door Japan met open armen werden ontvangen, past in dit kader: ze waren welkome tegenhangers van de Portugezen. De Hollanders voeren er wél bij: de overlevenden begonnen in Japan een nieuw bestaan. Naar een van hen, Jan Joosten van Lodensteyn, alias Yayoso of Yaesu, is zelfs de huidige stadswijk Yaesucho in Tokyo vernoemd.

Verzetshaard
De vraag dringt zich natuurlijk op waarom de bakufu zo fel gekant was tegen het christelijk geloof. De Leidse japanoloog dr. W. J. Boot gaat op de vraag dieper in en stelt dat, net als in China en Korea, de regering in Japan het oppergezag opeiste inzake religie. In Japan was dat zelfs nog sterker omdat daar het boeddhisme feitelijk staatsreligie was geworden. Boot wijst er verder op dat Japanners in veel bijbelverhalen een gezagsondermijnende boodschap lazen: Daniël, Jona en Jezus waren, net als de martelaren later, niet met normale straffen 'in bedwang te houden'. „Dat was ernstig, want straffen waren, naast het onderwijs, (...) middelen waarover de Oost-Aziatische staat traditioneel beschikte om de openbare orde te handhaven.”

In 1635 kreeg deze christenhaat een bizar vervolg toen de toenmalige shogun alle overzeese scheepvaart door Japanners aan banden legde. Volgens de shogun waren overzeese Japanse kolonies verzetshaarden van christenen en andere tegenstanders. Deze en andere wetten die tussen 1634 en 1639 werden uitgevaardigd, timmerden Japan geleidelijk aan van alle kanten dicht. ”Sakoku” (gesloten land) is de benaming die deze periode achteraf kreeg opgeprikt.

Ook voor de nog overgebleven Portugese handelaars in Nagasaki bleef het sakoku-beleid niet zonder gevolgen. In 1639 werd het contact met hen volledig verbroken. Hun concurrenten, de Hollanders, mochten op Deshima, een kunstmatig eilandje voor de kust, hun rol overnemen. Daarvandaan runden de Nederlanders twee eeuwen lang de enig overgebleven Europese handelspost in Japan. Als een soort gijzelaars van de shogun zetten ze, samen met de Chinezen, hun winstgevende handel met Japan voort. Pas in 1853, toen de Amerikanen Japan tot opening van zijn grenzen dwongen, kwam aan die exclusieve rol van Nederland een eind.

Nederigheid
Tot die tijd draaide alle handel om onbewerkte zijde en bewerkte zijden stoffen die tot halverwege de zeventiende eeuw uit China werden gehaald. In 1623 was de VOC erin geslaagd via Formosa, het latere Taiwan, een geregelde handelsverbinding tussen Japan en China te realiseren. In Nagasaki betaalden de Japanners met zilver, en dat werd vervolgens weer door de VOC'ers met winst doorverhandeld naar onder andere India.

De Hollanders op Deshima waren zich natuurlijk bewust van hun exclusieve, doch precaire positie als enige gedulde handelaars uit het Westen. Voor de VOC'ers ter plekke gold daarom nog slechts een richtlijn: „(...) Modestie, nederigheid, beleefdheid en vriendschap (...) De onsen moeten den Japander na de mond zien en alles verdragen”.

Het eilandje Deshima, dat 214 bij 64 meter mat en de vorm had van een uitgevouwen waaier, kreeg in de context van dit Japanse isolement een bijzondere rol toebedeeld. Dankzij de Hollanders die er woonden –in de regel tussen de 15 en 20 man– kreeg het verre vaderland de functie van doorgeefluik van alles wat Europa en het Westen aan bijzonders en nuttigs in huis had.

De positie van de Deshima-bewoners was dan ook bepaald niet geïsoleerd. Begin achttiende eeuw verdrongen zich dagelijks zo'n 224 Japanse ambtenaren rond de poort naar Deshima, onder wie 136 tolken.

Een aparte plaats nam de jaarlijkse hofreis (”edo sanpu”) in. Het opperhoofd van de Nederlandse vestiging op Deshima maakte dan, met een gevolg van zo'n 59 mensen, een reis naar Edo (Tokyo), waar hij de shogun bezocht om hem „te danken” voor de handel en hem als blijk van eer geschenken te overhandigen. Voor de Nederlanders was deze verplichte reis een uitgelezen kans het afgesloten Japan te leren kennen; de Japanners bood het gelegenheid in direct contact te komen met, wat ze noemden „de rode barbaren.”

Hollandologen
De invloed van Nederlanders kreeg nog meer structuur door het werk van de zogenaamde hollandologen, Japanners die zich bezighielden met ”rangaku” (Hollandse studiën). Rangaku bestreek alle terreinen van westerse kennis: geneeskunde, astronomie, scheikunde, wapenfabricage en ballistiek, geschiedenis, geografie etcetera. Geneeskunde, scheikunde en de natuurwetenschappen stonden bovenaan het Japanse wensenlijstje.

Overigens lijkt het werk van deze hollandologen indrukwekkender dan het was: ze hielden zich slechts bezig met het intensief bestuderen van Nederlandse boeken.

De belangrijkste bijdrage die Nederland op de lange termijn aan de ontwikkeling van Japan heeft geleverd, schrijft Boot, is ongetwijfeld de introductie van de Europese cultuur geweest.

Als je het zo leest zou je er als nazaat bijna trots op worden! Maar tegen welke prijs hebben de Hollanders zich die (overigens lucratieve) rol laten aanleunen? En wat blijft over van die Europese cultuur als het christelijk geloof en de christelijke traditie nadrukkelijk daaruit is weggelaten?

Hierboven kwam al aan de orde dat de Hollanders er veel voor over hadden om hun exclusieve rol in Japan te behouden. Hoe ver ze daarin wilden gaan bleek al in 1637 toen christelijke boeren in Japan in opstand kwamen. Bij wijze van test van hun loyaliteit werden de Hollanders gevraagd mee te helpen de opstand neer te slaan – die Hollanders, luidde de redenering, waren immers ook christenen. Maar voor opperkoopman Couckebacker hoefde de shogun niet te vrezen: de VOC'er stuurde prompt het fluitschip de ”Rijp” op de boeren af.

Antichristelijk
Op een ander moment werden de Nederlanders ervan verdacht met een groep gevangen genomen Portugese zendelingen samen te werken. „Om de shogun ervan te overtuigen dat zij met de missionarissen niets van doen hadden”, schrijven Reinier Hesselink en Matsui Yoko in hun bijdrage, „boden de Nederlanders zelfs aan om de weerloze priesters te vermoorden, „spuwende ende trappende met de voet.” De groep jezuïeten werd vervolgens net zo lang gemarteld (...) tot zij hun geloof afzwoeren.”

„Natuurlijk werden de zeelieden op de Hollandse schepen geacht om te Nagasaki hun Bijbel diep weg te stoppen”, aldus Susan Legene. „Actief vervolgingsbeleid werd ondersteund door het jaarlijkse jefoemi-ceremonieel, het trappen van het kruis.” En zodra een Nederlander op Deshima overleed, vergewisten de autoriteiten zich ervan dat de dode geen kruisje droeg. Pas dan werd hij aan land gebracht. „Acceptatie van de antichristelijke beperkingen werd het symbool van de Hollandse handelsgeest.”

En dan die andere vraag: wat blijft over van de Europese cultuur zonder het christelijk geloof? Wel buskruit, kanonnen, sterrenkunde en chemie, maar geen scheppingsleer, zondekennis, naastenliefde? In het jubileumboek komt deze kwestie niet aan de orde, uit andere bronnen is er wél meer over te zeggen. Zo is bekend dat de Amerikaanse generaal MacArthur de vraag rond de betekenis van het christelijk geloof beter begreep dan al die op winst beluste Hollanders toen. MacArthur voerde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Azië de geallieerden aan in de strijd tegen het Japanse leger. Toen Japan in 1945 in puin lag en herbouwd moest worden klemde bovenal de vraag hoe kon worden voorkomen dat het keizerrijk opnieuw in verwoestende agressie zou losbreken. In de VS vond men dat het land langdurig onder curatele moest worden gesteld, en MacArthur kreeg als hoofd van SCAP –de geallieerde bezettingsautoriteit– de leiding over deze heropvoedingsoperatie. En wat was het eerste dat de generaal naar Japan wilde sturen? Bijbels, scheepsladingen bijbels! Het is er uiteindelijk niet van gekomen – zelfs de hele bezettingsoperatie van MacArthur liep op een fiasco uit omdat door de Koude Oorlog Japan al snel van rivaal tot bondgenoot werd.

Maar als aangetoond zou kunnen worden dat juist het gemis aan bijbelse waarden de Japanse agressie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog heeft veroorzaakt, dan gaat er van Deshima en de koopmanshouding van de 'christelijke' Nederlanders aldaar, ook nog een actuele boodschap uit. Want dan zou de hoge toon waarop Nederland excuses van Tokio eist vanwege ”Indië” wel wat lager mogen klinken.