Boekrecensie

Titel: Brugge. De geschiedenis van een Europese stad
Redactie: Marc Ryckaert en André Vandewalle

Uitgeverij: Lannoo
Tielt, 1999
ISBN 90 209 3730 8
Pagina's: 224
Prijs ƒ 140,- (geb.), ƒ 115,- (pb.)

Recensie door J. C. Karels - 8 maart 2000

Brugge, stad van stilte,
klokken en mist

Dat Brugge zich Deo volente in 2002 cultuurstad van Europa mag noemen, is een eer die het vooral te danken heeft aan zijn roemrijke verleden in de late Middeleeuwen. De stad gold destijds als het Athene van het noorden, als een oord zoals de geletterde mens zich droomde, waar de Vlaamse schilders wonderen verrichtten en de commercie volop bloeide. In de negentiende eeuw ontstond het imago van een stille stad, waar het geluid van de klokken zich een weg baant door de mist. De Brugse geschiedenis vanaf de prehistorie tot op heden is vastgelegd in ”Brugge. De geschiedenis van een Europese stad”.

Sinds het succes van de eerste grote tentoonstelling over de zogenaamde Vlaamse primitieven in 1902 is Brugge zich zijn culturele erfgoed pas goed bewust geworden. Dat heeft in de twintigste eeuw geresulteerd in een aanzienlijke reeks exposities, met name over de schilderkunst van de late Middeleeuwen en de Renaissance. De laatste prestigieuze tentoonstelling, over de Renaissance en de Vlaamse schilderkunst, werd in 1998 georganiseerd en diende als eerste museale springplank naar het jaar 2002 beschouwd te worden.

Een tweede plank werd onlangs opgericht met de al even prestigieuze publicatie ”Brugge. De geschiedenis van een Europese stad”. Het is een prachtig, ingebonden boek met mooie scherpe kleurenfoto's, platen, prenten en landkaarten, verzorgd door een keur van gekwalificeerde specialisten. Het enige wat nog aan de uitgave ontbreekt is een purperrood lintje, maar dat kan de lezer er gemakkelijk zelf bij kopen of denken. Het boek beschrijft het verleden van de stad vanaf de vroegste geschiedenis (eerste eeuw) tot heden.

Noormannen
De oudste vermelding van Brugge dateert van het midden van de negende eeuw. De naam wordt genoemd in een tekst van de Gentse Sint-Baafsabdij. De noormannen bedreigden Gent, zodat de kloosterlingen moesten uitwijken. Een deel van de kostbaarheden werd in Brugge in veiligheid gebracht. Nadat het gevaar uit het noorden was geweken, werd een inventaris opgemaakt waaruit bleek dat een gouden kruisbeeld in Brugge was achtergebleven. Voor de huidige lezer gaat het op het eerste gezicht om een onzinnig feit, maar onderzoekers weten eruit af te leiden dat Brugge in het midden van de negende eeuw al een zeker belang moet hebben gehad.

Interessanter wordt het verhaal in de tweede helft van de Middeleeuwen. Vanaf het jaar 1000 ontwikkelt Brugge zich tot een internationaal handelscentrum. Het Engels-Vlaamse ”Lofdicht op koningin Emma” (1040-'42) vermeldt hoe schepen vanuit Engeland rechtstreeks tot in de onmiddellijke nabijheid van Brugge zeilen. De bron spreekt over een stad met „een zeer grote faam vanwege het aantal handelaren dat er aanwezig is en vanwege de toevloed van al datgene waar de mens hoge prijs op stelt.”

Moord
Een tragisch voorval, dat een grote nawerking zal hebben, vindt plaats in de twaalfde eeuw. Op de vroege ochtend van 2 maart 1127 wordt graaf Karel de Goede, terwijl hij in de Sint-Donaaskerk in gebed ligt verzonken, laaghartig vermoord. De gebeurtenis veroorzaakt geweldige commotie onder de Brugse bevolking, die door de „ondaad” verlamd is van schrik. Het duurt een jaar voordat de schokgolven van de moord tot bedaren zijn gekomen. De bewogen episode uit de Brugse geschiedenis is nauwkeurig vastgelegd in het dagboek van de notarius Galbert van Brugge, een van de belangrijkste Zuid-Nederlandse geschriften uit de Middeleeuwen, waarvan onlangs een vertaling uit het Latijn is verschenen (Davidsfonds, Leuven, 1999).

De moord heeft belangrijke gevolgen. In het machtsvacuüm dat ontstaat, zijn de Bruggenaren op zichzelf aangewezen. Binnen de stad komt spontaan een groep van notabelen op, die optreden als vertegenwoordigers van de bevolking. Hun autoriteit wordt door iedereen aanvaard. Achteraf laat zich een nieuw stedelijk bewustzijn traceren. „De gedachte won veld dat de politieke macht gestoeld was op een contract tussen de landsheer en de bevolking, waarbij eerstgenoemde zich ertoe verbond de wetten en de vrijheden van zijn onderdanen te respecteren”, schrijven Marc Ryckaert en André Vandewalle. De stad krijgt een eigen stadskeure en een college van schepenen. De nieuwe graaf wordt slechts ingezworen nadat hij een keure heeft uitgevaardigd waarin de vrijheden en voorrechten van de stedelingen zijn gewaarborgd.

Stormvloed
In de eerste dagen van oktober 1134 treft een zware stormvloed de Zeeuwse eilanden en het noordelijk deel van de Vlaamse kust. Kronieken melden dat kerken, kastelen en dorpen worden verzwolgen door het watermonster. Er ontstaan enkele geulen, waarvan de belangrijkste –het Zwin– in zuidwestelijke richting loopt. Vrij spoedig wordt duidelijk dat het Zwin unieke mogelijkheden biedt als nieuwe vaarweg naar Brugge. Vanaf het einde van de twaalfde eeuw worden deze mogelijkheden systematisch uitgebouwd, waardoor de stad in de volgende eeuwen kan uitgroeien tot Europees handelscentrum. De nieuwe verbinding met de zee biedt enorme perspectieven voor Brugge als havenstad.

Via het Zwin varen Vlaamse kooplieden uit om hun handelswaar aan de man te brengen en eigen grondstoffen in te kopen. De belangrijkste bestemming zijn de Britse eilanden. Engelse wol vormt de basis voor de productie van laken. Dankzij de gunstige ligging slagen de Bruggenaren erin een leidende rol te spelen in de zogenaamde ”Vlaamse hanze van Londen”, een koopliedenvereniging die de belangen van de Engelandvaarders behartigt. Andere verhandelde producten zijn wijn (Frankrijk), luxestoffen en specerijen (Noord-Italië).

Cultuur
Grotendeels parallel aan de commerciële opgang in de late Middeleeuwen loopt de bloei van het culturele, kerkelijke en geestelijke leven.

Brugge wordt een belangrijk productiecentrum van verluchte handschriften, kostbare perkamenten, voorzien van volbladminiaturen, decoraties en versierde beginletters. Rijk geïllustreerde getijdenboeken en psalters worden uitgevoerd naar Engeland, de Noordelijke Nederlanden, het Rijnland, Spanje en Italië. De stad wordt middelpunt van de zogenaamde Vlaamse primitieven, een school van schilders van wie Jan van Eyck (overleden in 1441) als de grootste geldt. De kwalitatief hoogstaande producten maken de Vlaamse schilders in het buitenland populair. Italiaanse kunstverzamelaars kopen het werk en volgen het na.

Brugge slaagt erin befaamde persoonlijkheden aan te trekken. De Parijse geleerde Jean Gerson (1363-1429), een van de belangrijkste theologen van zijn tijd, wordt als deken van het Sint-Donaaskapittel geïnstalleerd. De Middelnederlandse dichter Jacob van Maerlant, kort voor 1230 geboren op het platteland rond Brugge, geniet er zijn opleiding. De humanist Juan Luis Vives (circa 1493-1540) vindt in het begin van de zestiende eeuw in Brugge zijn thuishaven en schrijft er de meeste van zijn meer dan vijftig werken. Bestuurlijke kringen van de stad leggen vlot de brug naar het humanisme. De crème de la crème van de Europese intelligentsia schuift er ongedwongen aan tafel.

De Republiek heeft aan Brugge diverse talenten te danken. De wieg van de ingenieur Simon Stevin (1548-1620) staat in Brugge. Zijn ster begint te rijzen na zijn vestiging in de Republiek, waar hij zijn publicaties over rekenkunde het licht doet zien. Hetzelfde geldt voor de student Herman Faukelius, die 'carrière' maakt binnen het Nederlandse protestantisme en ons land zijn ”Kort Begrip der Christelijke Religie” schenkt.

Decadent
Is Brugge in de vijftiende eeuw onbetwiste handelsmetropool van het noorden, aan het eind van die eeuw neemt Antwerpen die rol over. De roem van de stad als financieel en commercieel centrum neemt af. De volgende eeuwen worden voor Brugge een zoektocht „naar een nieuwe bestemming”, een tocht die in de negentiende eeuw uit zal monden in de romantische beeldvorming van de roman ”Bruges-la-Morte” (1892) waarmee Georges Rodenbach het beeld schept van een stad met enerzijds verkommering, armoede, kinderarbeid, een onmondig proletariaat, anderzijds met de burgerlijke afkeer van elke vooruitgang, een angstvallig vasthouden aan het verleden en de nadruk op behoud en restauratie. Brugge is veranderd in een stad van stilte, klokken, mist, regen, speciaal licht. De roman van Rodenbach draagt bij tot een nieuwe wereldfaam. Rond 1900 ontstaat de reputatie, vooral gevestigd door kunstenaars en schrijvers, van een vervallen middeleeuwse stad met een tegelijk mystiek en decadent klimaat.

De Brugse publieke opinie is niet bepaald gecharmeerd van het stadsprofiel van vergane glorie. Graag verwijst men naar het roemrijk verleden en ziet daarin aanleiding om de stad met haar middeleeuwse luister te doen herleven.

Begin twintigste eeuw beleeft Brugge een belangrijk hoogtepunt met de eerste grote tentoonstelling van Vlaamse primitieven in 1902. Door de tentoonstelling worden zowel de wetenschappelijke wereld als kunstenaars zich voorgoed bewust van het belang van de vijftiende-eeuwse Vlaamse schilderkunst. Het wetenschappelijk onderzoek en het cultureel toerisme krijgen een stimulans. Parijs en Londen volgen met tentoonstellingen. Sinds het begin van de twintigste eeuw kan Brugge zich rekenen tot de belangrijke Europese kunststeden.