Binnenland 20 november 1999

Oudste Nederlander (112): We hebben wat een armoe gekend

Oma Kaatje had vroeger geen fiets

Door J. Visscher
LEIDEN – Catharina Angenieta van Dam-Groeneveld viert vandaag haar 112e verjaardag. Daarmee is ze de oudste inwoner die Nederland deze eeuw heeft gekend. „Toen we vroeger voor het eerst een auto zagen rijden, sprongen we een gat in de lucht.”

De woonkamer, in de binnenstad van Leiden, biedt de aanblik die je half en half had verwacht. De makkelijke stoel naast de warme kachel. De schouw. De sta-klok daarop. Het wandtegeltje. De tekst: ”God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst in Jezus Christus.”

Dan die handen. Stokoude, taaie handen. Wellicht vertellen die handen het meest. Meer dan een uur lang liggen ze roerloos in de schoot van mevrouw Van Dam-Groeneveld, ofwel oma Kaatje. Geboren in 1887.

Mossie
Meest verrassend is misschien het moment aan het einde van het gesprek. Oma Kaatje lacht, zoals ze dat deze winterse novemberavond al vaker deed. Zo'n lach van herkenning; die verbazend kwieke ogen. Dan neuriet ze ineens, krakerig, kuchelend en ongevraagd: „Daar ruist langs de wolken.”

Zojuist hadden we het over versjes zingen. Bij de afwas, ver terug in haar lange leven. „Nu is dat zingen niks meer”, had zoon Cor (70) gegrinnikt. „Vroeger wel. Wat zong je veel, hè moeder. Psalmversjes. Liederen van Johannes de Heer.”

Oma Kaatje heeft haar verstand nog goed, maar een gesprek voeren gaat niet makkelijk. Een voorbeeld. „U bent gelovig, hè moeder”, vraagt zoon Cor met stemverheffing. Haar smalle schouders bewegen niet-begrijpend. „Gewonig?”

„Nee”, corrigeert Cor, „gelovig.”

Job uit het Oude Testament komt ter sprake. Dat hij oud en der dagen zat was. Nee, dat is te moeilijk voor oma Kaatje, dat kan ze niet meer volgen. „Uw vader had altijd van die teksten, hè moeder”, zegt Cor. „Er zal geen mossie van het dak vallen, of onze lieve Heer ziet het.” Weer die lach. Die herkenning.

Hemd
Als jong meisje werkte ze in de wolindustrie. Van 's ochtends zes tot 's avonds zes. Of, als er overgewerkt moest worden, tot 's avonds tien. Er moest brood op de plank komen. „Nou, nou, we hebben wat een armoe meegemaakt”, zegt ze. Soms ging ze met een rooms-katholieke vriendin mee naar de nonnen. Daar was eten. „En lekkere soep.”

Een fiets? Die had ze niet. „Moeder, u kon niet eens fietsen”, lacht Cor. „En ook niet zwemmen. Vroeger ging u wel eens pootjebaden. En weet u nog dat u een van de kinderen in de sloot bent achternagesprongen?” Het grijze hoofd knikt. „Ja, ja. Om te helpen.”

Het waren eind vorige eeuw de tijden van paard en wagen. „We vlogen achter de wagen aan en gingen eraan hangen. Maar dan moest je oppassen dat je geen klap met de zweep kreeg.”

Ze zag hoe de wereld versnelde. De auto kwam. „De directeur van de fabriek was de enige in onze buurt die een auto had. Dat was wat. We sprongen een gat in de lucht. Maar ik had daar niet veel verstand van.”

Ze maakte beide oorlogen mee. „Daar was ik niet erg op gesteld”, mompelt oma Kaatje. Nog weer later stapten mensen op de maan. „Moeder heeft dat met belangstelling gevolgd”, zegt zoon Cor.

Wasmachines, koffiezetapparaten, magnetrons, computers, daar wist je vroeger niet van. Kleren werden geboend op een plank. Zaterdagsavonds, nog voor de zondag. „De kinderen hadden maar één hemd”, lacht oma Kaatje.

Wonden
Op de leeftijd der zeer sterken verslond ze boek na boek. Lezen was haar lust en haar leven. De Bijbel-in-grote-letter. Streekromans, „met een christelijke inslag.” En ze volgde het nieuws. Ze weet echt wel wie premier Kok is („Laat toch lopen”) en wie ex-premier Lubbers is („Hij is niet kwaad”).

Dat lezen ging op een gegeven moment niet meer. Op haar 91e kreeg oma Kaatje een hersenbloeding. Toen ze 105 jaar was, brak ze haar heup. Voor het eerst in haar leven werd ze opgenomen in het ziekenhuis.

Catharina Angenieta van Dam-Groeneveld kreeg tien kinderen. Vier van hen zijn reeds ten grave gedragen. Verder heeft ze achttien kleinkinderen, 24 achterkleinkinderen en een flink aantal achter-achterkleinkinderen.

Het lichaam wordt zwakker. Cor verzorgt 's avonds de wonden van zijn moeder. Soms wrijft ze met haar handen een wondje in haar dunne huid. Tot vorig jaar hield oma Kaatje op haar verjaardag een receptie. „Fotografen bleven maar flitsen”, zegt zoon Cor. Het werd te druk. Vandaag wordt haar verjaardag in besloten kring gevierd. Wel komt de loco-burgemeester de hand schudden. Ze hapt in een spritsje. „Laat hem maar komen.”