| Binnenland | 30 juli 1999 |
Edelen niet eens over vraag of blauw bloed zal uitstervenInlijving deel buitenlandse adel stoptDoor W. G. Hulsman In 1994 nam de Eerste Kamer, na felle debatten, met de kleinst mogelijke meerderheid de Wet op de adeldom aan. Dat betekende het einde van de mogelijkheid tot verheffing in de adelstand: geen Nederlander kon meer door Hare Majesteit tot jonkheer, baron of graaf worden 'geslagen', ook niet als iemand van grote betekenis is geweest voor het land, zoals in Engeland wel voorkomt. Zo werd mevrouw Thatcher na haar premierschap verheven tot Lady Thatcher. De Wet op de adeldom bepaalde ook dat afstammelingen van buitenlandse adellijke geslachten die al langere tijd in Nederland woonden tot 1 augustus 1999 nog de gelegenheid zouden krijgen om zich bij de Nederlandse adel aan te sluiten. Buitenlandse adellijke personen die zich in de toekomst nog in Nederland vestigen, merken niets van de wet. Voorwaarde voor inlijving is wel dat het land van herkomst een wettelijk erkend adelsysteem kent dat vergelijkbaar is met het Nederlandse. Daardoor blijven maar een paar landen over, waaronder Zweden, België, Luxemburg en Denemarken. De Finse en de Franse adel maakt ook een kans en dan zijn er nog een aantal bijzondere situaties. Groot-Brittannië ontbreekt in de lijst. Maar dat is al sinds 1814 het geval, licht mr. Schutte toe. Inlijving vond altijd plaats op basis van uitwisseling van gelijke rechten. Omdat de Engelse adel automatisch een zetel in het Hogerhuis kreeg, kon met dat land geen gelijkwaardige uitwisseling plaatshebben. Prinses Irene Familie De Lange was met 55 personen de grootste aanvrager. Baron Taets van Amerongen van de werkgroep vindt het vermakelijk dat de De Langes nu de titel jonkheer of -vrouw mogen dragen. De Hoge Raad van Adel voert steeds aan dat hij niet iedereen wil toelaten, om de adel zuiver te houden. Deze familie stamt echter af van een 18e-eeuwse meesteroplichter, die uiteindelijk Holland moest verlaten en met zijn geld met de noorderzon vertrok. Hij kocht in Denemarken een grote buitenplaats en kocht van de Deense koning een adellijke titel, vertelt de baron lachend. Het hardste gelag is het dezer dagen voor de afstammelingen van Indische vorstenhuizen. Tijdens de koloniale periode waren veel Indische vorsten erg loyaal aan het Nederlandse bestuur. Jarenlang procedeerden sommige afstammelingen om ingelijfd te worden bij de Nederlandse adel, maar zonder succes. Vanaf zondag is de weg helemaal afgesloten. Baron Taets van Amerongen heeft weinig goede woorden voor heel de regeling over. Het is een onderdeel van het uitstervingsbeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. En het ergste is dat het ministerie heeft nagelaten de desbetreffende personen actief te informeren. Daardoor is de regeling een aantal mensen ontgaan die er graag gebruik van hadden willen maken. Geen gravin De baron vraagt zich af hoe het dan met koningin Beatrix zit. Als de overerving niet via de vrouwelijke lijn gaat moet Hare Majesteit de adeldom van haar vader, prins Bernhard, hebben, maar na de vlucht van keizer Wilhelm II is de adel in Duitsland ontadeld. De Hoge Raad van Adel verwijst dat verhaal op beschaafde toon naar het rijk der fabelen. De heer Taets van Amerongen vergeet dat daarover Koninklijke Besluiten zijn genomen, reageert secretaris Schutte. Het is niet enige punt waarop de twee niet op één lijn zitten. Zo verschillen Taets van Amerongen en de Hoge Raad van Adel ook van mening over de vraag of de adellijke stand nu echt met uitsterven wordt bedreigt. De raad zegt simpelweg dat er geen gegevens over de bevolkingsontwikkeling van de adellijke families bestaan en schat de populatie op zo'n 10.000 mensen. De baron heeft wel cijfers: Er waren ooit 577 adellijke geslachten. Daarvan is 43 procent uitgestorven. Binnen tien jaar dreigen veertig geslachten te verdwijnen, omdat er alleen nog oude dames van leven. Van tachtig geslachten geldt dat ze niet erg talrijk zijn. Hij denkt dat er 8000 adellijken in Nederland zijn en houdt zijn hart vast voor de toekomst. Gelijkheidsdenken Het SGP-kamerlid had ook graag gezien dat in 1994 de mogelijkheid om iemand in de adellijke stand te verheffen was blijven bestaan, als de hoogste onderscheiding. Maar door het breedverspreide gelijkheidsdenken kwam het niet zover. |