Binnenland16 augustus 2001

„M'n moeder is het nooit te boven gekomen, al ontkende ze dat”

Het leed van het jappenkamp

Door L. Vogelaar
DEN HAAG – Hysterisch werd zijn moeder soms als de Japanners zoekend door het kamp liepen. Pas later heeft hij begrepen waarom: uit de meisjes van 17 jaar en ouder werden de aantrekkelijksten uitgekozen om als troostmeisjes dienst te doen. „Zelf had ze geen dochters, maar iedereen leefde met elkaar mee.”

Voor de derde keer woonde M. van Leeuwen gisteren de herdenking van de Japanse capitulatie bij het Indisch Monument in Den Haag bij. „Mijn ouders zijn hier vaak geweest, maar ik had er niet zo veel behoefte aan. De ervaringen in het jappenkamp hebben nooit zo'n groot onderdeel van mijn leven uitgemaakt. Ik herinner me wel het urenlang op appèl staan in de brandende zon, maar niet echt de ellende, het leed, de honger. Ik heb me toch al vaak afgevraagd of ik me echt veel herinner of dat mijn herinneringen door verhalen van anderen gevormd zijn.”

Zes jaar was Van Leeuwen toen hij medio 1942 in het kamp terechtkwam. Hij bleef er tot september 1945. „Wij behoorden tot de eerste groep die werd opgepakt. Mijn vader was toen al opgehaald door de Kempeitai, de Japanse geheime politie. Hij behoorde tot de vrijmetselaars en die werden als gevaarlijk beschouwd.”

Van Leeuwen overleefde het kamp, evenals zijn ouders en zijn broer. Na de hereniging gingen ze in 1946 naar Nederland, maar een jaar later keerden ze alweer terug naar Indië. Zijn ouders bleven er totdat ze in 1968 met andere Nederlanders het land uitgezet werden. Zelf ging Van Leeuwen in 1951 voor studie naar Nederland, nadat het Nederlands als voertaal op de Indonesische scholen verboden was.

„M'n moeder is de gevolgen van het kamp nooit te boven gekomen. Ze gedroeg zich soms vreemd, al heeft ze altijd ontkend dat ze wat mankeerde.” Naast de verschrikkingen van het jappenkamp moest ze ook het lot van haar familie verwerken: haar (Joodse) ouders waren vergast, een zus keerde vol verschrikkelijke verhalen terug uit kamp Sobibor, de andere zus overleefde de oorlog als onderduikster. „Ze vreten je hier op als je het zegt, maar zelf vind ik dat de Joden het in de oorlog veel zwaarder hebben gehad dan wij in Indië.”

Bovenste knoop
„Mijn ouders leven niet meer, maar ik zie hen terug in deze mensen”, zegt Van Leeuwen terwijl hij de schare overziet die op klapstoeltjes wacht tot de jaarlijkse plechtigheid bij het monument begint. „Ik vraag me wel af hoe lang deze herdenkingen moeten doorgaan. Zolang als mensen er behoefte aan hebben, denk ik. Op den duur zal het wel net zo gaan als met 1813. Toen zijn we van de Fransen bevrijd en ontstond onze huidige staatsvorm. Wie herdenkt dat nog?”

Enkele duizenden mensen die de Japanse bezetting in Nederlands-Indië overleefden hebben zich inmiddels, soms vergezeld van kinderen of kleinkinderen, voor het monument verzameld. Met paraplu's en de meest vreemdsoortige hoedjes beschermen ze zich tegen de brandende zon. En als je daar niet over beschikt, vouw je eenvoudigweg het programma over je hoofd. Militairen zweten in hun colbertje, maar alle knopen gaan dicht, „ook de bovenste!” wijzen ze elkaar terecht.

Het Onze Vader
Bronzen klokklanken galmen over de heuvel naast de waterplas. Vlammen lichten op voor het monument dat de ontberingen van de geïnterneerden in de kampen uitbeeldt.

Terwijl een koor het verzetslied ”Wij waren achttien in getal” zingt, treedt de vaandelwacht in. Een zangeres brengt het Indische Onze Vader ten gehore. Het gebed werd elke avond gezongen in de gevangenissen van de Kempeitai. „Het gaf velen de kracht en moed om onder erbarmelijke omstandigheden vol te houden.”

Opnieuw beiert de klok. Een hoornsignaal klinkt: Geef acht! Dan wordt de taptoe geblazen. Een minuut stilte volgt. Ter gedachtenis aan hen die het níét overleefden. Het waren er velen. Na het signaal bij de vlag klinken het eerste en het zesde couplet van het Wilhelmus. Opnieuw een hoornsignaal: Vlag gereed!

Kransen worden gelegd. Eerst door een overlevende van de kampen met een van haar nazaten. Dan volgen hoogwaardigheidsbekleders: premier Kok en minster Borst, de voorzitter van de Eerste Kamer en de vice-voorzitter van de Tweede Kamer, ambassadevertegenwoordigers van Amerika, Engeland, Australië en Nieuw-Zeeland, vertegenwoordigers van het leger, de commissaris der Koningin, de loco-burgemeester van Den Haag.

Moeders
„Niet omzien in wrok, maar bezinning op het leed dat is geleden, om de conclusies daarvan door te geven aan de volgende generatie”, zo omschreef de nieuwe voorzitter van de stichting die de herdenking organiseert, L. Folmer-de Klein (zelf dochter van een KNIL-officier), even eerder tijdens een bijeenkomst in het Nederlands Congresgebouw het doel van de herdenkingen. „De kinderen van toen eren de moeders van toen.”

„Misschien voelt u zich tot op de dag van vandaag onbegrepen”, zegt minister Borst, wier oom aan de Birmaspoorlijn werkte, terwijl haar tante in een jappenkamp overleed. „Nederland was niet goed voorbereid op uw komst. Het ontbrak aan echt begrip.”

De regering wil de leemte in de geschiedschrijving opvullen en heeft daarom het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie opdracht gegeven de economische ervaringen van de mensen die uit Indië terugkeerden te onderzoeken. „Ik steun ook de oprichting van een herinneringscentrum, het Indisch Huis, hier in Den Haag, waarvan de totstandkoming helaas vertraagd is. Onder het Indische deel van onze geschiedenis mag geen streep worden gezet.”