Theocratie: tussen ideaal en praktijk

Blijvend geding om de 21 woorden

Door dr. K. v.d. Zwaag
Die 21 woorden toch! Dat bleef bij mij hangen na het recente debat over artikel 36 in Gouda. Het bleek overduidelijk dat deze „omstreden” woorden in artikel 36 de meeste tegenspraak ontlokken. Omdat de reacties zich vooral, ook in Gouda, hierop toespitsten, wil ik in deze bijdrage met name op dit punt enkele opmerkingen maken en daarmee reageren op de bijdragen van K. Veling en R. Kuiper. Massink toonde zich duidelijk meer eensgeestes met de reformatorische overheidsvisie zoals die binnen de SGP gevonden wordt. De verschillen met de eerste twee opponenten zijn daarentegen groter.

Ik begin met de opmerkingen van prof. K. Veling. Allereerst wat feitelijke zaken. Hij zegt dat ik geen sy-stematische uiteenzetting van mijn eigen mening heb gegeven, maar wel „terloops”. Dat klopt omdat mijn proefschrift vooral een historische studie is, waarbij ook allerlei theologische en juridische en staatsrechtelijke zaken aan de orde komen. De Schrift komt zeker wel ter sprake maar niet afzonderlijk in een exegetische analyse, eenvoudig omdat dit buiten mijn onderzoeksveld viel. Wel heb ik echter de Schrift laten spreken in de gedeelten over Luther, Calvijn en andere theologen en denkers die zich uitlieten over het ambt van de overheid. Daarbij spelen vooral teksten uit het Oude Testament een belangrijke rol, maar ook het Nieuwe Testament komt daarbij ter sprake.

Veling kan zich herkennen in de definitie van de theocratische norm, zegt hij. Dat heb ik ook in mijn proefschrift geconcludeerd. Zowel het GPV als de RPF belijden de theocratie als Godsregering over het gehele leven, ook over de staat en overheid. Hier liggen niet de verschillen, al zullen GPV en RPF het woord theocratie nooit gebruiken voor hun staatkundige opvattingen omdat zij (ik denk duidelijk in de lijn van Kuyper) dit woord vereenzelvigen met een oudtestamentische staatsregering of met de identificatie van kerk en staat. Theocratie staat voor deze partijen gelijk aan intolerantie en dwang. Zo hebben zij dat ook herhaaldelijk uitgesproken. Beide partijen zijn in die zin blind voor theocratie in de zin van binding van de overheid aan de beide tafelen van Gods Wet.

Uitleg gematigd?
Veling stelt dat mijn eigen theocratische uitleg van de 21 woorden veel meer gematigd zijn dan de 21 woorden zelf. Dat is een onjuiste tegenstelling. Ik denk dat niet mijn uitleg van de 21 woorden gematigd is maar de woorden als zodanig hebben iets in zich dat een gematigde visie op de overheid inzake kerk en godsdienst insluit. Weren en uitroeien zie ik, en de historie geeft mij daarin gelijk, als een terugdringen van godslasterlijke uitingen en valse godsdienst van het publiek domein van de samenleving. Dat bedoel ik met een principiële afkeer van dwang en fysiek geweld zoals die opgesloten ligt in de gedachte van de gereformeerde theocratie.

Natuurlijk heeft de overheid een beperkte taak, omdat zij gericht is op de uitwendige ordening in de samenleving. Maar ik zie niet in waarom de overheid geen taak zou hebben met het oog op het godsdienstig welzijn van de bevolking. Veling erkent zelf dat we als christenen soms te terughoudend zijn. De Koreaanse filosoof Bong Ho Son viel het op hoezeer de Nederlandse christenheid vaak berust, zo citeert hij. Ook het GPV-Kamerlid Van Middelkoop erkende onlangs in het Nederlands Dagblad dat men in GPV-kring wel eens al te gemakkelijk de geestelijke vrijheid heeft gehonoreerd. Hebben GPV'ers wel altijd voldoende duidelijk gemaakt, zo vraagt hij, dat de staatkundige ruimte en vrijheid voor bijvoorbeeld islamitische burgers hen ook geestelijk en cultureel pijn oplevert? Ik denk dat deze vragen aangaande de zogeheten multireligieuze samenleving steeds meer aan de orde komen.

Calvijn
Dr. Kuiper heeft gesteld dat Calvijn niet over weren en uitroeien spreekt maar over het steunen en beschermen van de kerk. Ik denk dat deze uitspraak met verschillende citaten uit Calvijns werk weerlegd kan worden. Als keerzijde van het steunen van de ware godsdienst behoort ook voor hem het weren en uitroeien (de zogeheten negatieve overheidstaak). Juist in de polemiek rond Servet heeft hij deze woorden expliciet gebruikt. Er is ook geen verschil in toon en accentuering tussen Calvijn en de 21 woorden. De kern van de 21 woorden, zelfs hier en daar letterlijk, komen we al bij Luther tegen en bij verschillende andere reformatoren.

Ik kan me goed herkennen in wat Kuiper schrijft over de taak van de overheid op het gebied van de godsdienst. In de burgerlijke samenleving gaat het er volgens hem om dat er ruimte en gelegenheid is voor de kerk om het Evangelie te prediken. Maar ik denk dat er meer is. De kerk mag niet alleen blij zijn met haar vrijheid en zelfstandigheid, maar moet (Kuiper erkent het ook) bij de overheid op aandringen dat zij de waarheid erkent. Maar dan is er toch een appel op de overheid om die waarheid gestalte te doen geven in de samenleving?

De overheid is niet neutraal en heeft de opdracht Gods naam en eer te bevorderen, zegt Kuiper terecht. Ook in GPV-kringen stelt men dat de overheid Gods Naam publiekelijk dient te eren. Dat zijn uitspraken die veel lijken op wat binnen de SGP gangbaar is. Ik denk dat de SGP nog een stapje verder gaat en de overheid veel directer oproept om Gods Wet te handhaven. Het specifieke van deze partij is dan dat zij de overheid de plicht voorhoudt om valse godsdienst en afgoderij te weren. Terecht heeft Massink gewezen op de antithese tussen het rijk van Christus en het rijk van de antichrist. Niet alleen de kerk maar ook de overheid heeft partij te kiezen in de strijd der geesten. Daarom kan het bevorderen van het Koninkrijk van God niet losgemaakt van het weren van het rijk van de antichrist.

Het valt me op dat Kuiper weinig oog heeft voor de intentie van Hoedemaker. Deze zou een oorlog vechten die voorbij zou zijn en hij zou over het Nederland van de negentiende en twintigste eeuw het beeld opleggen van de zestiende eeuw. De waarde van Hoedemaker is naar mijn mening dat hij de profetische gerichtheid van de kerk met het oog op de staat en de gehele natie in alle geloofskracht naar voren heeft gebracht. Zijn achterkleinzoon, prof. L. A. Hoedemaker (Rijksuniversiteit van Groningen), heeft Hoedemaker als een hartstochtelijke bestrijder van de reductie van schriftuurlijk overheidsgezag tot politieke stuurmanskunst, van het gevecht om de waarheid tot strijd tussen de partijen, genoemd. Met name deze twee zaken lijken me toch erg actueel. Ook de publiekrechtelijke betekenis van de kerk in het midden van de natie is een belangrijke gedachte om ons verder op te bezinnen.

Hoe nu verder?
De discussie over mijn proefschrift heeft veel losgemaakt. Wat ik hoop is dat de drie kleinere christelijke partijen eens (opnieuw) om de tafel gaan zitten en een congres organiseren rond de visie op de overheid in reformatorisch perspectief. Dan kunnen we intensief over deze materie doorpraten. We zullen het dan zeker moeten hebben over de waarden van de geestelijke vrijheid en de vraag of en in welke mate de overheid te maken heeft met kerk en godsdienst. Als Veling zegt dat de 21 woorden niet bijdragen aan een goede omgang met de spanning die ontstaat door de belijdenis van Gods soevereiniteit, laten we dan met elkaar van gedachten wisselen op grond van het verkorte artikel 36, om vandaaruit de 21 woorden aan de orde te stellen. Ik heb in Gouda gezegd dat het mogelijk moet zijn om de essentie van de 21 woorden vast te houden maar dat er wel een vertaalslag nodig is om de inhoud te verwoorden in deze tijd. Elke tijd heeft immers zijn valse godsdienst en afgoderij. Biedt dat geen kansen voor actuele christelijke politiek om voortdurend hierop te attenderen? Ik denk dat de vraag of de overheid al dan niet oordeelkundig is, zoals Massink stelt, niet de doorslag mag geven of men vanuit artikel 36 nog een appel kan uitbrengen op de overheid. Dan doen we toch tekort aan de geloofsformulering van artikel. Ook de rooms-katholieke overheid in de dagen van De Brès was niet oordeelkundig maar toch hebben de gereformeerden aan de overheid de eis gesteld om de ware religie te verbreiden en de valse religie te weren.

Kuiper merkt op dat wij niet blijven staan bij oude geschriften, maar dat het gaat om de daad van het belijden zelf. Eigenlijk zou er volgens hem in de vorige eeuw, toen de gelijkberechtiging van de godsdiensten een feit was, een nieuw belijden moeten komen. Dat het niet tot een nieuw belijden in 1905 gekomen is, kwam omdat men er toen niet rijp voor was. De gereformeerde synode en ook Kuyper hebben laten doorschemeren dat het vraagstuk zo complex was en de meningen zo verdeeld, dat de tijd er nog niet rijp voor was. Het is daarom de hoogste tijd dat we dit probleem opnieuw oppakken. Laten we dat ook gezamenlijk doen. Ik kan Kuiper geheel bijvallen dat christenen de Naam van God op positieve wijze in verband moeten brengen met de politiek. God wil Zich in Zijn goedheid ontfermen over mensen, zegt hij. Daarmee staat hij ook in de lijn van artikel 36 die spreekt van de „goede God”. Dat God ten overstaan van de samenleving door de overheid publiekelijk beleden zou moeten worden, is iets wat de drie kleinere christelijke partijen verenigt. Laten we de discussie onder en met elkaar voortzetten.

Dit is een publicatie uit Zicht, een uitgave van het wetenschappelijk centrum van de SGP, 1999 nr. 3.