Opvang illegaal persoon lijkt kruisdragen

beeld ANP ANP

Een uitgeprocedeerde asielzoeker kan ons voor de vraag plaatsen of onze privacy niet onze afgod is, ervoer Eelke de Gelder.

Deze week staan in diverse media vragen centraal rond de huisvesting van en zorg voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Een van de belangrijkste van die vragen is: Wie is er verantwoordelijk voor het welzijn van deze mensen? De overheid, zijzelf, hulporganisaties, burgers, u en ik? Twee jaar geleden werd mij gevraagd om iemand zonder verblijfsvergunning onderdak te verlenen. Graag vertel ik iets van de vragen die dat opriep en van de antwoorden die ik in de loop van de tijd vond.

Gewoonlijk begint het debat over ‘illegalen’ met standpunten over de legitimiteit van het verblijf van uitgeprocedeerden, met standpunten over de overheid en het asielbeleid. Gemakkelijk blijft het zo een kwestie ver weg van de persoonlijke levenssfeer, waar ik heel zinnige denkbeelden over meen te hebben. Maar als de vraag zich aandient „of je deze jongeman in huis kunt nemen” verdwijnt die zelfbewuste houding. „Wie is het? Waarom is hij hier? Waarom ik?” Het schiet allemaal door je hoofd. Maar het zijn niet de juiste vragen die ik daar stel. Het klinkt wat dramatisch, maar de vraag die telt is: „Ben ik bereid?”

Bezwaren genoeg: „Ik heb geen kamer vrij, wat als het helemaal niet klikt?” Legitieme bezwaren, maar enigszins huichelachtig toch. Neem het eerste bezwaar; ik heb geen kamer vrij. Wij Nederlanders zijn niet ongastvrij, maar stellen wel hoge eisen aan onze eigen gastvrijheid. Als ik iemand herberg, dan wel op een mooie kamer voor hem alleen dacht ik. Heel vriendelijk, maar als bezwaar tegen gastvrijheid slaat het de plank mis. Het is aan mijn potentiële gast om te bepalen of hij het ziet zitten om een kamer te delen, niet aan mij. Voor de ander denken kan zo een mooi middel zijn om zonder gezichtsverlies de moeilijke vraag te ontlopen: durf ik iemand, een vreemde, toe te laten in mijn huis, in mijn privésfeer?

Kruis

Met die vraag geconfronteerd begonnen bepaalde Bijbelpassages akelig tot leven te komen. „Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen?” „Want jullie waren zelf vreemdelingen in Egypte.” Wat als privacy nu eens mijn bezit, mijn afgod is, waarvan gezegd wordt: „Verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen”? Ik ontkwam niet aan de conclusie dat als ik Hem wilde volgen dit weleens zoiets kon zijn als een kruis om op te nemen.

In de kerk van mijn jeugd zei men vaak dat God kracht naar kruis geeft. Wanneer we dit kruis niet slechts zien als de ellende die ons overkomt maar ook als het kruis dat wij zelf opnemen, wordt de zegswijze rijker. Als we weten dat God kracht, moed en wijsheid geeft bij het opnemen van het kruis wordt het een hoopvolle frase die ons helpt het juiste te doen, ook als het ongemakkelijk is of wij onszelf er niet toe in staat achten.

In mijn geval klinkt „het kruis opnemen” inmiddels veel te zwaar. Na anderhalf jaar gastheer geweest te zijn van een uitgeprocedeerde jongeman ben ik slechts dankbaar en verrast dat hij mijn gast wilde zijn. Een uitgeprocedeerde asielzoeker ontpopt zich in de persoonlijke levenssfeer tot mens. In mijn geval als een bijzonder rijk geschakeerd persoon vol lach, geloof, verdriet en bemoediging. Het wonderlijke van het Koninkrijk van God zit hem in de omdraaiingen. Dat wat zich als kruis aandient, transformeert zich gaandeweg in een gave, in genade.

Ongetwijfeld is gastvrijheid niet de roeping van iedereen, maar het experiment aangaan met iets wat je eigenlijk goed vindt maar niet wilt, durft of denkt te kunnen, is iets wat ieder voor zich eerlijk moet overwegen. De vraag hoe het verstandig aangepakt kan worden is belangrijk, maar een wezenlijk andere en van minder belang.

Dilemma

Soms wordt er een dilemma geschetst alsof we zouden moeten kiezen tussen gastvrijheid voor uitgeprocedeerde mensen en gehoorzaamheid aan de overheid. Illegale mensen helpen wordt gezien als een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid. Gehoorzaamheid aan de overheid zou bestaan in niets doen wat een onrechtmatig verblijf in Nederland verlengt. Het dilemma bestaat echter niet. Wanneer iemand geen plek heeft om te wonen en zijn leven te organiseren zal hij steeds bezig zijn met dagelijks overleven. Duurzaam contact met hulporganisaties, advocaat en overheid is niet gemakkelijk als je op verschillende plekken slaapt, nachten wakker bent en geen geld hebt om te reizen.

Pas wanneer iemand een plekje vindt, is er ruimte om na te denken over de toekomst, aan een nieuwe procedure of toch een terugkeer naar het moederland; nieuwe informatie opnemen, contact maken met het thuisland, de situatie opnieuw beoordelen, de asielreis evalueren. Hij of zij kan ingebed raken in een netwerk waardoor hij (tijdelijk, maar is ons aller leven dat niet?) een zinvol leven kan leiden en waardoor de overheid geen omkijken en kosten meer heeft. Maar vooral dient hij ons zolang met de vervelende vraag: zijn we bereid het onbekende, de vreemdeling toe te laten in ons leven?

De auteur is masterstudent Global Health en bewoner van woongroep Huize Humus.