Wetenschap moet falen Darwin erkennen

Intelligent Design
„NIemand -ook de evolutionist niet- begrijpt hoe materie vanzelf informatie zou kunnen voortbrengen in de vorm van DNA, of een structuur kan „bedenken” zoals we die treffen in de levende cel, en in het menselijk brein.”

De laatste eeuw is steeds duidelijker geworden dat het geloof in een wereld die vanzelf is ontstaan steeds minder houdbaar is. De moderne wetenschap vertelt echter het tegenovergestelde. Het is tijd dat de wetenschap erkent dat er een brein achter alles zit, stelt prof. dr. ir. J. H. van Bemmel.

Woensdag verschijnt het boek ”Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp?” van de Delftse hoogleraar Cees Dekker c.s. Het gaat daarin over de vraag of er in de schepping een intelligent ontwerp te ontwaren valt. Voor- en tegenstanders daarvan buitelen de laatste weken over elkaar heen.

Op basis van wetenschappelijk onderzoek van de laatste halve eeuw is steeds meer in te brengen tegen het darwinisme. Maar hoe kan het ook anders.

Elke theorie, hoe goed ook, wordt vroeg of laat verdrongen door een andere of een meer algemene; ons kennen draagt immers een tijdelijk karakter. De evolutietheorie is alweer zo’n 150 jaar oud. Darwinisten menen nog steeds dat met behulp van de juiste volgorde van mutaties, selecties, en geschikte omstandigheden, voldoende lange tijd en de juiste kansen dit gewoon moet lukken. Alleen dat wat in de gegeven omstandigheden overleeft geeft zijn genen door aan het nageslacht.

Men kan zich afvragen waarom de aanhangers van het darwinisme, na een eeuw vele pogingen te hebben gedaan evolutionaire processen na te spelen, waaronder de experimenten van Miller en Urey van 1953 die enkele moleculen vervaardigden in een door hen samengestelde ”oersoep”, geen kans zagen tenminste een paar processen te imiteren die de evolutie hun had geleerd.

Tussen de deur
Niemand gelooft meer in de oersoep als oorzaak van het leven. Toch houden wetenschappers die beter zouden moeten weten tegen alles in vol dat leven „vanzelf” ontstaan is. Waarom doen ze dat? Harvard-bioloog Richard Lewontin zette helder uiteen waarom hij kiest vóór de evolutietheorie. Hij zegt dat „wij een a-priori verplichting hebben jegens het materialisme. Daarom zijn wij genoodzaakt onderzoekmethoden te ontwikkelen -waarbij het er niet toe doet of deze tegen onze intuïtie ingaan of raadselachtig zijn voor niet-ingewijden- die materiële verklaringen opleveren. Het materialisme staat niet ter discussie, want we kunnen geen Goddelijke voet tussen de deur dulden.” Duidelijker kan het niet.

Niemand, ook de evolutionist niet, begrijpt hoe materie vanzelf informatie zou kunnen voortbrengen in de vorm van DNA, of een structuur kan „bedenken” zoals we die aantreffen in de levende cel, laat staan een orgaan zou kunnen laten groeien waardoor ons hele organisme wordt bestuurd, en het menselijk brein.

DNA onder druk
Trouwens, de betekenis van het DNA staat sterk onder druk. De cel is minstens zo belangrijk. Feitelson zegt daarvan: „DNA wordt in de cel afgelezen door mechanismen die zelf veel complexer zijn dan het DNA. Zonder een geschikt uitleesmechanisme heeft het DNA geen enkele betekenis.”

Craig Venter, die als eerste de ontrafeling van het menselijk genoom voltooide, is al even voorzichtig: „Het kleine aantal genen -30.000- ondersteunt de opvatting dat er meer is dan het DNA. Wij weten dat sommige gebieden in het DNA waar geen genen zitten, wellicht de sleutel zijn voor de complexiteit die wij in onszelf waarnemen.”

Getuigt het daarom niet van wetenschappelijke integriteit om ronduit te bekennen dat het leven nog steeds -en door het toenemende wetenschappelijke inzicht steeds meer- een volkomen mysterie blijft? Wetenschappelijk onderzoek laat zien hoe gecompliceerd biologische processen zijn. Dit geldt voor de hersenwerking, voor de fijn geregelde processen in de cel, en zeker voor de celdeling en de vorming van een embryo. Het is wetenschappelijk niet vol te houden dat de complexiteit van het leven puur materieel verklaarbaar is zonder een daaraan voorafgaande planmatige aanpak.

Bewijs
Het is opmerkelijk dat dezelfde mensen, die niets willen weten van ”intelligent design” en dit afdoen als pseudo-wetenschap, nu de menselijke intelligentie voor de toekomstige evolutie willen inzetten. Maar kan de evolutie, die bij machte was zoiets gecompliceerds als de mens voort te brengen, het dan niet alleen af?

Wie zelf ontwerpt staat perplex van de complexiteit van de schepping. Je wordt stil van het aanpassingsvermogen van het leven, de transportprocessen in de cel, de reparatiemechanismen van het DNA in de chromosomen, de regeling van hart en bloedsomloop, de werking van het visuele systeem, de opslag en verwerking van informatie in de hersenen, de wording van een mensenkind. Wie bedenkt zoiets prachtigs?

Het zij toegegeven dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor een „Goddelijke voet tussen de deur.” Maar is, op basis van ons huidige wetenschappelijke inzicht, het geloof dat cel, DNA en brein werden ontworpen niet heel wat aannemelijker? Of heeft het toegeven aan deze conclusie te grote consequenties voor iemands wetenschappelijke status?

De auteur is emeritus hoogleraar medische informatica en was van 2000 tot 2003 rector magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam.