Weloverwogen keuze voor griepprik vereist evenwichtige informatie

„Iedereen zal op grond van de beschikbare informatie over griepvaccinatie moeten beslissen.” Foto: minister Bruins van Medische Zorg krijgt de eerste griepprik die dit jaar wordt uitgedeeld in het UMC Utrecht. beeld ANP, Lex van Lieshout

Iedereen moet op grond van de beschikbare wetenschappelijke kennis beslissen over de griepvaccinatie. Die kennis is niet compleet en perfect en zal dat misschien ook nooit worden, maar moet wel evenwichtig worden weergegeven, reageert André Knottnerus.

In zijn artikel over griepvaccinatie (RD 22-10) verwijt Dick Bijl mij dat ik mij wat betreft de effectiviteit van de griepprik op eigen onderzoek baseer. In de advisering over griep van de Gezondheidsraad, waarvan ik tot 2010 voorzitter was, zijn echter veel internationale wetenschappelijke gegevens betrokken. Wie die stukken bekijkt, ziet dat mijn eigen onderzoek daarin een bescheiden rol speelde.

Maar nu Bijl mijn onderzoek noemt, onder het kopje ”Belangenverstrengeling”, is kennisname van het volgende essentieel. Onze groep voerde begin jaren 90 een onafhankelijk onderzoek uit, een van de tot nu toe zeer zeldzame geblindeerde, gerandomiseerde studies. Dat is het type onderzoek dat Bijl terecht karakteriseert als „het sterkste wetenschappelijke bewijs, de gouden standaard van het klinisch medicijnenonderzoek.” De kwaliteit van onze studie kreeg van de door Bijl genoemde groep van Jefferson een positieve beoordeling (low risk of bias). Wij vonden dat de griepprik bij ouderen de kans op het krijgen van griep duidelijk verkleinde.

Vermeldenswaard is ook dat de beoordeling door de groep van Jefferson wat betreft de effectiviteit van vaccinatie tegen griep recent is bijgesteld. In 2010 was de eerstgenoemde ”author’s conclusion”: „Het beschikbare bewijsmateriaal is van geringe kwaliteit en biedt geen houvast wat betreft de veiligheid, werkzaamheid of effectiviteit van influenzavaccins voor personen van 65 jaar of ouder.”

In 2018 luidde deze conclusie: „Oudere volwassenen die het influenzavaccin krijgen, hebben mogelijk een lager risico op influenza (van 6 procent naar 2,4 procent) en hebben waarschijnlijk een lager risico op ILI (influenza-achtig ziektebeeld, AK) dan degenen die geen vaccinatie krijgen in de loop van één griepseizoen (van 6 procent naar 3,5 procent).” De auteurs wijzen verder op de beperkingen in de kwaliteit van het totaal aan beschikbare gegevens, met name ook waar het gaat om het onderzoek naar ernstige complicaties. Zij vinden dat de samenleving moet investeren in onderzoek naar een nieuwe generatie van influenzavaccins voor ouderen. Ik ben het daarmee van harte eens, en wees hier al eerder op.

Onjuistheden

Bijl vermeldt zijn artikel in het Geneesmiddelenbulletin in 2011 (waarvan hij toen hoofdredacteur was), waarin hij schreef dat er geen wetenschappelijk bewijs was voor werkzaamheid van de jaarlijkse griepprik. Ook ons onderzoek heeft hij in dat kader besproken. Daarbij werden echter onjuistheden vermeld. Ook in een publicatie in 2012, waarop onze groep vervolgens een reactie wilde plaatsen. Dat werd geweigerd, met als toelichting dat „de brief geen inhoudelijk nieuwe gezichtspunten bevatte die nog niet eerder in het uitgebreide commentaarproces van het Geneesmiddelenbulletin aan de orde waren gekomen dan wel in de redactiecommissie waren besproken.” In plaats van te verwijzen naar interne processen ware het beter geweest onze reactie op zijn analyses via hetzelfde forum aan te bieden, in het kader van het open wetenschappelijk debat.

Inmiddels is er, ook niet door critici ten aanzien van onze studie, geen substantieel nieuw onderzoek gedaan. Wij hebben daar begrip voor, gezien de hoge ethische en methodologische eisen waaraan dan voldaan zal moeten worden. Zeker als daarbij ook het effect op sterfte wordt onderzocht, zoals onze groep onlangs in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde besprak.

Verantwoordelijkheid

In de gegeven situatie zal iedereen op grond van de beschikbare informatie over griepvaccinatie moeten beslissen, ook in aanmerking nemend (als men bijvoorbeeld verpleegkundige is) welke verantwoordelijkheid men heeft voor extra kwetsbare personen in de (werk)omgeving. Daarbij is van belang, zoals Bijl stelt, dat „iedereen alleen een weloverwogen griepprikkeuze kan maken op basis van kloppende wetenschappelijke gegevens.” Vandaar ook deze reactie.

Daaraan moet worden toegevoegd dat die afweging, zoals helaas vaker het geval is, onontkoombaar moet worden gemaakt op grond van gegevens die niet, en misschien wel nooit, helemaal compleet en perfect zijn.

Inhoudelijk minder belangrijk, maar uit een oogpunt van transparantie: ikzelf ga mijn prik deze week bij mijn huisarts halen.

De auteur is emeritus hoogleraar huisartsgeneeskunde, arts-epidemioloog en oud-voorzitter van de Gezondheidsraad.