Wegwezen jij!

Column Wim van Egdom
Parkeren. beeld ANP

Toen ik uit de supermarkt kwam lopen en haar bij m’n auto zag staan, wist ik dat het mis was. Een oudere, wat gezette dame keek me boos aan toen ik m’n auto naderde. Ze wees zwijgend naar de smalle ruimte tussen mijn geparkeerde auto en de hare. Vervolgens kwalificeerde ze mijn persoon met een woord dat ik hier niet op kan schrijven. Het was niet complimenteus bedoeld.

Toen ik die middag aan was komen rijden op het parkeerterrein van de grootgrutter die immer op de kleintjes let, had ik nog net een smal gaatje gezien om m’n bolide in te wurmen. Toen ik wegliep, schoot nog even door m’n gedachten dat de ruimte met die auto aan de rechterkant wel heel minimaal was. Maar omdat ik haast meende te hebben, liet ik het bij die gedachte.

Nadat de dame in kwestie dat lelijke woord eruit had gespuugd, begon ik omstandig uit te leggen dat ik geen keus had gehad. Het was gewoon smalletjes allemaal. En ze stond ook niet helemaal recht op haar plek, zei ik.

Ze keek me alleen maar boos aan en ik wist direct dat ik beter kon zwijgen. Aan de linkerkant was inderdaad nog genoeg ruimte en ze had haar auto keurig binnen de witte strepen gezet. Snel deponeerde ik de tas met boodschappen in de kofferruimte. Ze bleef met de armen gekruist voor de borst staan, wachtend tot ik zou instappen, zodat ze eindelijk in haar koekblik kon klimmen.

Ik liep nog even in haar richting. Sorry, zei ik. Meerdere keren, zelfs. Ze accepteerde de excuses niet en zei alleen: „Wegwezen jij!”

Terwijl ik als een kleine jongen die straf had gekregen van de juf m’n auto uit het parkeervak loodste, bedacht ik nog tal van excuses. Het was hier ook zo akelig druk. En al die mensen die voor een paar boodschappen met de auto naar de winkel gaan, terwijl ze ook kunnen fietsen of lopen. Ik ging er voor het gemak maar aan voorbij dat ik ook bij die mensen hoorde en dat ik natuurlijk had moeten gaan fietsen.

Toen ik vijf minuten later het parkeerterrein bij mijn appartement op reed, staakte ik de inwendige strijd. Die vrouw had niet zo’n lelijk woord mogen gebruiken, maar ze had wel gewoon gelijk. Ik had alleen aan mezelf gedacht.

Toen ik het contact uitschakelde, sprak ik met mezelf af dat ik haar een bosje bloemen zou aanbieden als ik haar weer zou tegenkomen bij de supermarkt. Ja, ik weet het, dat is een nogal goedkope belofte als je in een stad woont met ruim 160.000 inwoners.