Wees zuinig op het Wilhelmus

„De prins vergelijkt zich in het achtste en negende couplet met David, die met zijn mannen ellendig om moest zwerven voor de tiran koning Saul.” beeld iStock

Met het Wilhelmus hebben we een Bijbels-gereformeerd document in handen. We mogen daarom dankbaar zijn dat we in deze tijd van massale afval dit volkslied nog hebben, betoogt drs. W. P. Emaus.

Op Koningsdag wordt op veel plaatsen het Wilhelmus aangeheven. En ook komende zondag, dé Koningsdag (!), zal ons volkslied in of na menige kerkdienst worden gezongen. Ds. Simon Hendrik Buytendijk (1820-1910) had in zijn laatste gemeente IJsselstein zelfs de gewoonte om elke kerkdienst te beëindigen met het gezamenlijk uit volle borst zingen van het Wilhelmus. Een van zijn gevleugelde uitspraken was: „Ik ben zó Oranjegezind dat, indien mijn aderen worden geopend, mijn bloed niet rood, maar oranje is!”

Het Wilhelmus wordt wel het oudste volkslied ter wereld genoemd. Het lied ontstond in de jaren 1570-1572. Eerst werd het via losse blaadjes verspreid. Later werd het opgenomen in het ”Geuzenliedboek”. Het opschrift luidt: ”Een nieuw Christelick Liedt”. Waarom dit opschrift? Het wekt Bijbelse associaties. In de Psalmen worden we regelmatig aangespoord tot het zingen van een nieuw lied. Onder andere Psalm 144:9: „O God! Ik zal u een nieuw lied zingen…”

Verzet

Het Wilhelmus is ook een nieuw lied dat een belangrijke rol zou spelen in het verzet tegen de Spaanse tirannie. Het Wilhelmus onderscheidt zich van andere geuzenliederen. In dit ”nieuwe lied” wordt immers niet opgeroepen tot revolutie, maar wel tot verzet tegen de tirannie en de keuze voor gerechtigheid in Bijbelse zin. Er zijn volgens de auteur van dit lied blijkbaar ook grenzen aan de gehoorzaamheid aan de Spaanse koning…

Dat brengt ons tot de vraag: Wie is de mogelijke auteur van dit lied? Vaak werd er gedacht aan Marnix van Sint Aldegonde. Echter, de laatste onderzoeken van het Meertens Instituut in 2016 wijzen naar Petrus Datheen. Taalkundig onderzoek heeft namelijk aangetoond dat de schrijfstijl van het Wilhelmus overeenkomsten vertoont met andere werken van hem.

Melodie

Voor zijn mogelijke auteurschap is nog een argument te noemen. Het Wilhelmus is een zogenaamde contrafact. Hierbij plaatst de dichter een nieuwe tekst op een reeds bestaande melodie. Bij het Wilhelmus gaat het om de melodie van ”Chartres”, die in 1568 ontstond bij het beleg van Chartres door de hugenoten.

Opvallend genoeg bleek Datheen bij dit beleg aanwezig en zal hij de melodie daar hebben leren kennen. Mike Kestemont (universiteit van Antwerpen) spreekt zelfs van een doorbraak in het Wilhelmusonderzoek: „Het ultieme bewijs voor het auteurschap zullen we wellicht nooit vinden, maar het heeft er alles van dat we met dit nieuwe onderzoeksspoor de dichter van het Wilhelmus op de hielen zitten. Het is vooral belangwekkend dat we met Datheen een dichter op het spoor zijn die zowel qua tekst als melodie goede kaarten heeft.”

Hoe het ook zij, in ieder geval is duidelijk dat dit ”nieuwe christelijke lied” een Bijbels-gereformeerd karakter draagt. Het hele lied is één lange monoloog, waarin de prins zich beurtelings richt tot God en tot zijn onderdanen. De dichter van dit lied legt Willem van Oranje deze woorden in de mond. In de eerste en de tweede strofe stelt de prins zichzelf voor als „Wilhelmus van Nassouwe.” Bovendien is het goed om te weten dat de eerste letters van alle strofen de naam Willem van Nassov vormen (het zogenaamde acrostichon).

Bijbelse actualisering

In strofe 3 richt de prins zich tot zijn onderdanen en vraagt hij om hun voorbede: „Die vroom begeert te leven,/ Bidt God nacht ende dag,/ Dat Hij mij kracht wil geven,/ Dat ik u helpen mag.”

In strofe 4 zegt de prins dat hij zowel zijn leven als zijn goederen voor het volk overheeft: „Lijf en goed altezamen/ Heb ik u niet verschoond.”

Verder wijs ik op de Bijbelse actualisering: de prins vergelijkt zich in het achtste en het negende couplet met David, die met zijn mannen ellendig moest omzwerven voor de tiran koning Saul: „Als David moeste vluchten/ Voor Saul den tiran,/ Zo heb ik moeten zuchten/ Met menig edelman./ Maar God heeft hem verheven,/ Verlost uit alle nood,/ Een koninkrijk gegeven/ In Israël zeer groot.”

De eerste zinnen van het negende couplet luiden: „Na ’t zuur zal ik ontvangen/ Van God mijn Heer het zoet;/ Daarnaar zo doet verlangen/ Mijn vorstelijk gemoed.”

Opvallend is dus dat de prins zich in het achtste en het negende couplet expliciet vergelijkt met David! David wist dat Sauls koningschap door God hem reeds afgenomen was, toch bleef hij hem als zijn vorst eren (1 Sam. 24). Zo heeft ook Willem van Oranje „de koning van Hispanje” altijd geëerd. God heeft David uit alle nood verlost en hem in ere hersteld door hem een groot koninkrijk in Israël te geven. Zo zal, zegt de prins, God ook mij na het zure het zoete geven.

In het tiende couplet ziet de prins de Nederlanden verarmen en dan vervolgt hij met: „Dat u de Spanjaards krenken,/ O edel Neerland zoet,/ Als ik daaraan gedenke,/ Mijn edel hart dat bloedt.”

Guido de Brès

Ook de laatste twee coupletten vragen nog om onze aandacht. Het veertiende vers begint met: „Oorlof mijn arme schapen/ Die zijt in groten nood.” Oorlof betekent: vaarwel. Dit betekent niet dat de dichter op het punt staat om te vertrekken, maar wel dat hij bijna aan het einde van zijn voordracht is gekomen.

We zien hier invloed van de rederijkers. Naar hun trant heeft ook het Wilhelmus een zogenaamde oorlofstrofe. In dit veertiende vers horen we bekende Bijbelpassages van de herder en de schapen. Het is zelfs mogelijk dat hier raakvlakken zijn met een belangrijk document van Guido de Brès, die in zijn afscheidsbrief voor zijn terechtstelling schreef: „Vaarwel, mijn schaapkens, het ga u wel. Uw broeder en trouwe herder, gevangene ter wille van Jezus Christus. Guy de Brès van Bergen.”

In het laatste en vijftiende couplet getuigt de prins voor Gods aangezicht, onder ede dus, dat hij onschuldig is aan trouwbreuk: „Voor God wil ik belijden/ En Zijne grote macht/ Dat ik te genen tijden/ Den koning heb veracht.”

En dan volgt de tweede helft van dit slotvers: „Dan dat ik God den Heere,/ De hoogste Majesteit,/ Heb moeten obediëren,/ In der gerechtigheid.”

Het woordje ”dan” moet hier gelezen worden als ”maar”. De prins bedoelt dus: ik heb God de Heere overeenkomstig de Bijbelse gerechtigheid moeten gehoorzamen. Dus God meer gehoorzamen dan de koning van Spanje! Deze argumentatie steunt op de Schrift en vinden we ook in het laatste hoofdstuk van Calvijns Institutie, ”De burgerlijke overheid”. De lagere overheden hebben het recht zich te verzetten tegen de Spaanse overheersing.

Tweede Wereldoorlog

Het is duidelijk geworden dat we met het Wilhelmus een Bijbels-gereformeerd document in handen hebben. Koningin Wilhelmina, die zich nauw verbonden wist met Willem van Oranje, wenste nadrukkelijk bij haar kroning in 1898 het Wilhelmus te horen en niet het (bijna racistisch aandoende) toenmalige volkslied van Tollens: „Wien Neerlandsch bloed in de aders vloeit, Van vreemde smetten vrij.”

De ministerraad besloot op 10 mei 1932 het Wilhelmus tot officieel volkslied te verheffen. De Tweede Wereldoorlog zorgde er uiteindelijk voor dat het Wilhelmus meer algemeen geaccepteerd werd. De toespraken van koningin Wilhelmina via Radio Oranje werden steevast besloten met het spelen van het Wilhelmus.

We waren dankbaar dat Hare Majesteit Koningin Beatrix bij haar inhuldiging op 30 april 1980 beleed: „Zo liggen mijn allerdiepste wortels in ons volkslied: „Mijn Schild ende Betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer.”” Woorden die ontleend zijn aan de Bijbel, zie onder andere Psalm 18:3 en Psalm 144:2. Daarom mogen we dankbaar zijn dat we in deze tijd van massale afval dit volkslied nog mogen hebben. Laten we het daarom zingen met hart en mond!

De auteur is predikant van de hervormde gemeente De Bron in Urk. Dit artikel is een bewerking van een lezing die de auteur hield tijdens het Oranjeconcert ter afsluiting van Koningsdag in Urk.