Weerwoord: Kan een Bijbelvertaling zonder revisie?

Weerwoord
Aan revisie van Bijbelvertalingen valt niet te ontkomen. Taal is nu eenmaal levend en bewegelijk. beeld RD

Moet een Bijbelvertaling de tijd weerspiegelen?

Onlangs heeft het Nederlands Bijbelgenootschap de revisie van de Nieuwe Bijbelvertaling aangekondigd – in 2021 te verschijnen als NBV21. Een Bijbel die aantrekkelijk en sprankelend wil klinken. Met deze woorden zal Kolossenzen 4:6 vertaald worden: „… laat wat u zegt altijd aantrekkelijk zijn, sprankelend”. Leg hier „uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd” naast, en onmiddellijk ligt de vraag op tafel hoe een beeld dat Paulus oproept zo adequaat mogelijk in de Nederlandse taal van vandaag kan worden overgezet, opdat het zo dicht mogelijk bij het hart van de lezer komt.

Laten we luisteren naar enkele stemmen uit de geschiedenis van de kerk. De kerkvader Hieronymus spoort Marcellus aan om naar Bethlehem te gaan: „In het dorp van Jezus Christus zijn slechts eenvoudige lieden. Waar je je ook heen wendt, je hoort niets dan psalmen. De landman die de ploeg hanteert zingt ”Halleluja”. De bezwete maaier verdrijft de tijd met het zingen van psalmen, de wijnboer die met zijn snoeimes de wijngaard snoeit, zingt wat van David.” Dichter bij het dagelijks leven kunnen de woorden niet komen.

Bij Erasmus horen we eenzelfde verlangen naar verstaanbare Bijbelwoorden: „Ik zou graag zien dat alle eenvoudige vrouwen het Evangelie en de brieven van Paulus lezen. En ze zouden voor alle volken in hun eigen taal vertaald moeten worden. Het zou mooi zijn als de boer hiervan iets zong bij de ploeg en de reiziger de verveling van de reis met dergelijke verhalen zou verlichten. Alle gesprekken van alle christenen zouden hierover moeten gaan.”

Welbekend zijn de woorden van Luther die Duits wil spreken wanneer hij de Bijbel vertaalt: „Je moet niet aan de Latijnse letters vragen hoe je Duits moet spreken. Dat moet je vragen aan de huismoeder, aan de kinderen op straat of aan de gewone man op de markt.” In het woord vooraf dat is opgenomen in de Geneefse Bijbelvertaling van 1546 schrijft Calvijn hoe hij zich ingespannen heeft om de Bijbelvertaling van Olivetanus uit 1535 zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de gewone, alledaagse taal van de mensen: „Omdat in zijn vertaling de taal stroef was en nogal ver afstond van de algemeen aanvaarde manier van zeggen, is er iemand geweest (Calvijn bedoelt zichzelf!) die zich moeite gegeven heeft om de taal minder stroef te maken, niet alleen door die zorgvuldig te bewerken, maar ook door die aan te passen bij wat veel gemakkelijker door allen verstaan wordt.”

Hier zou tegenin gebracht kunnen worden dat de taal van de Heilige Schrift dermate verheven, weerbarstig en tegendraads is, dat er altijd een kloof zal bestaan tussen het dagelijks taalgebruik en de taal van de Bijbel. Immers, Gods Koninkrijk is niet van deze wereld en sluit niet aan bij de gedachten van de mens. Daar stel ik tegenover dat een vertaling geen onnodige barrières mag opwerpen. Vertalers en revisoren dienen maximaal te streven naar een weergave die voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is. Aan revisie valt niet te ontkomen. Taal is nu eenmaal levend en bewegelijk.

In hetzelfde voorwoord uit 1546 beschrijft Calvijn het profiel van een vertaler en een commissie die het project moet begeleiden: „Mijn wens zou zijn dat iemand die voldoende vrije tijd heeft en beschikt over alles wat vereist is voor zo’n werk, er zes jaar aan zou willen besteden en vervolgens aan verstandige en ervaren mensen ter inzage zou geven wat hij gedaan zou hebben, zodat verscheidene personen het goed zouden kunnen corrigeren.”

Zowel Luther als Calvijn heeft zich gerealiseerd dat revisie en verbetering van een vertaling nooit voltooid zijn. Zij deden hun werk met een opvallend grote openheid voor de doeltaal. Ook degenen die niet aanstonds of helemaal geen gebruik zullen maken van NBV21 ontkomen niet aan een blijvende bezinning op de verbaasde uitroep op het Pinksterfeest: „wy hooren’se in onse talen de groote wercken Godts spreken” (Handelingen 2:11).

De auteur is bijzonder hoogleraar geschiedenis gereformeerd protestantisme vanwege de Gereformeerde Bond aan de PThU in Amsterdam en predikant van de hervormde wijkgemeente Grote Kerk in Hilversum.