Wanhopige vragen in het getto van Warschau

De chassidische rabbi Shapira leefde en werkte in het getto van Warschau. Om zich heen zag hij de teloorgang van zijn religie. Foto: Herdenkingsmonument in Warschau. beeld iStock

Bewaard gebleven preken die rabbi Shapira in het getto van Warschau hield, getuigen van zijn intense zoektocht naar de plaats van God in het steeds erger wordende menselijk lijden. „O God, heb medelijden en red ons zonder uitstel.”

De chassidische rabbi Shapira leefde en werkte in het getto van Warschau. Om zich heen zag hij de teloorgang van zijn religie. Onophoudelijk werd hij met de vraag naar de verborgenheid van God geconfronteerd: Wat heeft Hij met ons voor? Midden in de ellende bestudeerde hij de Schriften en was hij in gesprek met zijn traditie. In de draaikolk van hoop en angst wilde hij zijn gemeente bemoedigen. Hij en zijn hele gezin kwamen in 1943 om.

Toespraken van Shapira werden in 1950 teruggevonden. Ze waren met andere geschriften in melkbussen verstopt die in de grond begraven werden. De ontdekte preken betreffen de periode van september 1939 tot 11 juli 1942.

Om iets te proeven van hoe Shapira theologiseerde, geef ik een citaat. In 1941 (hij weet dan niet dat het dieptepunt van het lijden nog niet bereikt is) zegt hij dit: Als een grasspriet die door God geschapen is ons verstand te boven gaat, hoeveel te meer is de ziel onvoorstelbaar, en als wij de ziel niet begrijpen, hoeveel minder zullen wij een engel begrijpen en nog veel minder de gedachten van God! Met andere woorden: hoe zullen wij God ter verantwoording roepen als het gaat om ons lijden?

Erin Dana Leib, een Amerikaans-Joodse vrouw die in 2014 op de preken van Shapira promoveerde, onderscheidt vijf modellen in Shapira’s denken over de ”theodicee”, de rechtvaardiging van Gods daden. In het eerste model staat de vergelding centraal, in het tweede het lijden van God, in het derde de verborgenheid van God, in het vierde het verdriet van God en in het vijfde het offer dat mensen aan God brengen.

Vergeldingsmodel

Rabbi Shapira was intens bezig met de vraag: hoe kan God het verantwoorden dat Zijn volk lijdt als Hij goed én almachtig is?

Zijn eerste benadering is het traditionele schema van lijden als oordeel, vergelding. Het volk hield Gods geboden niet, diende de afgoden, vermengde zich met andere volken. Daarom straft God zijn volk. God is altijd rechtvaardig en daarom is de mens altijd schuldig. Dit is het standpunt van de rabbi in september 1939.

Maar aan welke zonde maakte het Joodse volk zich dan schuldig? Shapira: De Joden van 1939 hebben gefaald. Het ontbrak hun aan geestelijke liefde tot God. Want het gaat niet om uiterlijke tekenen van onderwerping aan God. De nadruk moet liggen op de innerlijke gezindheid die nodig is om het onheil af te wenden. Wie zich met zijn hart aan de Gezegende overgeeft, zal van Hem barmhartigheid en bescherming ontvangen. Om deze liefde op te wekken en te versterken, kan lijden nodig zijn.

Maar welke concrete zonde bracht God ertoe om anno 1939 zijn volk dit lijden op te leggen? Shapira legt uit dat het niet voldoende is zich te houden aan de geboden en voorschriften van Mozes. De vrome Jood moet zich ook richten naar de mondelinge overlevering, de rabbijnse traditie. Door onvoldoende toewijding kwam al het onheil over het volk.

Lijdende God

In december 1940 tekent een andere lijn zich af in het denken van de rabbi. Hij stelt de vraag: Belemmeren onze zonden Gods redding? Hij ziet verschillende vormen van straf. Er is straf die wij zelf moeten dragen, maar er is ook straf die de mens niet alleen hoeft te dragen. Dan draagt God samen met Zijn volk de pijn, het lijden, de straf. Shapira haalt dan Psalm 91:15 aan, waar God zegt dat Hij „in de benauwdheid bij hem zal zijn. Ik zal hem eruit helpen.” God is solidair met zijn volk, ook als Hij het straft.

Vervolgens grijpt Shapira terug op Gods openbaring aan Mozes bij de brandende braamstruik. God heeft de pijn van Zijn volk gezien en is uit de hemel neergedaald. De pijn die God ziet, is ook Zijn eigen pijn. Hij draagt zelfs de zwaarste last. God vraagt ten diepste dat Hij zelf van de pijn verlost zal worden. Om dat te bereiken, moet Mozes naar de farao.

Om die reden, zegt de rabbi, zal God ook spoedig verlossing geven want waarom zou God, onze Vader en Koning, zoveel pijn moeten lijden? Toch zal het een redding zijn ondanks de zonden van het volk, een onverdiende redding.

Gods verborgen aangezicht

Een bekend voorbeeld van Gods verborgenheid geeft Deuteronomium 31:16-19. Daar zegt God dat de Israëlieten na Mozes’ dood van God zullen afwijken en het verbond zullen verbreken. „Dan zal Mijn toorn op die dag tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en Mijn aangezicht voor hen verbergen.”

Aan deze verborgenheid geeft Shapira een eigen invulling. Hij heeft het niet alleen over Gods verborgenheid, maar hij benadrukt vervolgens dat de verborgenheid verborgen wordt. Dat is dus een dubbele verborgenheid. Het gevolg daarvan is dat de straf niet wordt gevoeld, omdat de verborgenheid van God verborgen wordt.

Shapira spitst zijn gedachten toe op Gods openbaring aan Mozes op de berg Sinaï (Exodus 33): God zal aan Mozes voorbijgaan, zich dus aan hem openbaren, maar Mozes zal Gods gelaat niet zien. Volgens de rabbi is de hand waarmee God Mozes bedekt de hand van Jesaja 49:16: „Ik heb u in mijn beide handpalmen gegraveerd.” De hand waarmee God bedekt, is de hand van trouw. In dit treffende gezichtspunt zoekt Shapira troost op het moment dat God in het getto van Warschau afwezig lijkt. Hij wil ermee zeggen: als God zich verbergt, staat die verberging nooit los van Zijn openbaring.

Gods binnenkamer

Na het model van de vergelding, de lijdende God en de verborgen God keert Shapira in maart 1942 weer terug tot het thema van het lijden van God. Inmiddels hadden de nazi’s hun plannen voor de Endlösung voor het Joodse ”probleem” geconcretiseerd. In deze donkere periode denkt Shapira verder na over wie God is. God weent over zijn volk, zoals eens Jeremia weende toen het volk zich verhardde. Jeremia zegt dat zijn ziel zal wenen op verborgen plaatsen (13:17). Ook in de Talmoed staat dat God in verborgen plaatsen weent, omdat de engelen niet mogen zien dat God weent. Hij lijkt even machteloos als zijn volk.

Langzamerhand geeft rabbi Shapira de gedachte op dat God zal verlossen. Steeds meer wordt de blik naar binnen gericht.

As op het altaar

In het vijfde model grijpt Shapira terug op een tempelritueel: het verwijderen van de as op het altaar. Alleen op hoogtijdagen werd de as niet verwijderd, maar beschouwd als een versiering van het altaar. Het is de as van het offerdier, maar dat offerdier verving de mens. Daarom gaat het ten diepste om de as van een mens. De as toont dus de bereidheid van mensen om zich aan God te offeren. Hoe meer as, hoe intenser mensen zich aan God wijden.

Shapira ziet die offers, volgens Erin Dana Leib, als een laatste poging om God te bewegen tot reddende actie. Het lijkt er niettemin op dat Shapira het opgeeft om een antwoord te vinden.

Zijn gedachten over de verborgenheid van God kunnen het best samengevat worden in het aangrijpende beeld van de arts en pedagoog Korczak, die met zijn staf de zorg had voor honderden weeskinderen van het getto. Toen de kinderen weggevoerd werden naar Treblinka, wilde hij hen niet in de steek laten. Hand in hand ging hij met hen mee de gaskamer in.

De auteur is hervormd emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland. Dit artikel is gebaseerd op de lezing die hij op 9 januari hield tijdens het predikantencontio van de Gereformeerde Bond in Doorn.