Voor Wormser lag de eenheid van de kerk in de kinderdoop

De vaderlands kerk was in de 19e eeuw sterk verdeeld en ook nog eens uiteengevallen door de Afscheiding, maar er was volgens J. A. Wormser sr. een lichtpuntje: de kinderen waren wel gedoopt, memoreert Hans Reinders.

Voor een goed verstaan van de doop zijn de geschriften van J. A. Wormser sr. (1807-1862) van groot belang. Wormser, afkomstig uit Duitsland, was deurwaarder bij de Amsterdamse arrondissementsrechtbank. Eerst was hij lid van de Lutherse Kerk –hoe kon het ook anders als je van Duitse komaf was– maar die kerk was in zijn dagen sterk vervallen. Daarom vertrok hij.

Wormser heeft nog even gesympathiseerd met de Afscheiding, maar hij vond deze groepering te vrijgevochten en te weinig gaan in het spoor van de Reformatie. Hij sloot zich daarom aan bij de kring van het Reveil.

Dit was een groep bezwaarden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk die de kerk weer wilde hervormen/reformeren en opwekken tot een leven uit en naar Gods Woord. (Reveil komt van ”réveiller”, dat ”wakker maken” betekent.)

In 1853 schreef Wormser het boek ”De kinderdoop”. Daarin staan de beroemd geworden woorden: „Het Nederlandse volk is in zijn geheel de Heere toegewijd doordat het gedoopt is in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Leer dan de natie haar doop verstaan en waarderen en kerk en staat zijn gered.”

De laatste zin komt in het boek driemaal voor en wordt nog steeds vaak geciteerd. Dat Wormser deze uitspraak driemaal aan het papier toevertrouwde, geeft aan hoe belangrijk hij het verstaan van de doop vond.

In 1854 verscheen de tweede druk, met een voorwoord van mr. G. Groen van Prinsterer. In 1885 kwam er een derde druk, met een voorwoord van zoon J. A. Wormser jr. (1845-1916). In 1903, vijftig jaar na de eerste druk, beleefde het werkje over de doop zijn vijfde druk. Er was toen ook vraag naar het juiste verstaan van de doop.

Lichtpuntje

Wormser zag de eenheid van de kerk in de kinderdoop liggen. De Nederlandse natie was in zijn dagen nog gedoopt. De vaderlands kerk was in de 19e eeuw sterk verdeeld en ook nog eens uiteengevallen door de Afscheiding, maar er was in zijn ogen een lichtpuntje: de kinderen waren wel gedoopt. Hij wilde de kerk(en) weer wakker maken en geestelijk herstellen met het geschrift over de doop, die hij zag als vertrekpunt van dit herstel.

Wormser stelde de rijkdom van de kinderdoop aan de orde in de lijn van de Reformatie. Hij sprak het doopformulier na (niet tegen). De gewilligheid van de drie-enige God om zondaren zalig te maken, die door de doop tot uitdrukking wordt gebracht, moet de kinderen ingeprent worden, stelde hij.

Bij de tweede druk schreef Groen van Prinsterer: „Het is hier als in een goudmijn: hoe dieper men graaft, hoe meer de arbeid beloond wordt. Wormser zelf levert telkens het bewijs dat de diepte van de waarheid in de hoogst mogelijke eenvoudigheid ligt.”

Genadeverbond

Wormser benadrukte sterk het genadeverbond. Daarmee stond hij in de lijn van de Reformatie en de bedoeling van het doopformulier.

Hij zag in zijn dagen een groot gevaar opduiken: vrijzinnigen die het bovennatuurlijke bestreden. Hij keurde dat af, maar zag een ander en bijkans nog groter gevaar te voorschijn treden, namelijk dat men juist te veel opklom naar de eeuwigheid en in Gods raadsbesluit wilde blikken. Men ging subjectief te werk en miskende helaas Gods genadeverbond, dat Hij in de tijd opricht met de gedoopte kinderen van heel de gemeente („ons en onze kinderen”).

In de doop belooft God de kinderen hoofd voor hoofd te zullen zalig maken als zij tot Hem komen. De ouders moeten hun kinderen leren pleiten op de doop. Wie deze heerlijke toezegging in de doop verwaarloosde, ging het hogerop zoeken, namelijk in Gods verkiezing van eeuwigheid of in bevindelijke kenmerken. Men begon dan niet waar God begint: Hij stelt namelijk in de tijd het Evangelie present voor verloren zondaren.

Deze ”bekrompen lieden”, zoals Wormser hen talloze keren noemt, zagen Gods genaderijke hand in de doop geheel en al voorbij. Zij gingen het helaas zoeken in een abstracte verkiezingsleer of in het subjectivisme. Door de verkiezing te benadrukken, maakten zij er in de ogen van Wormser een loterij van. Zij wezen de kinderen, tegen wie Jezus zei: „Laat ze tot Mij komen”, en volwassenen niet op de rijke genade die God aanbiedt in de doop. Om die reden was er volgens hem in zijn dagen zo veel onzekerheid over het eeuwige heil (zie ”De kinderdoop” van J. A Wormser sr., blz. 94-98).

De auteur heeft theologie gestudeerd.