Voor ontwikkelingslanden zijn Chinese investeringen kans en risico

Chinese investeringen moeten niet eenvoudig een kans op snelle winst zijn, maar een partnerschap voor langere tijd. Foto: bij de door een Chinees bedrijf gepachte haven van de Srilankaanse stad Hambantota komt een olieraffinaderij. beeld AFP, Lakruwan Wanniarachchi

Chinese investeringen in ontwikkelingslanden bieden die landen een belangrijke kans op vooruitgang, maar alleen als de betrokken bedrijven gedwongen worden maatschappelijk verantwoord te ondernemen.

Vijftig jaar geleden was China een arm land met weinig invloed. Sindsdien is China een economische wereldmacht geworden die steeds vaker een leidende rol speelt op het wereldtoneel, als handelspartner en investeerder.

De meest besproken manifestatie van de toegenomen Chinese economische en politieke invloed is de Nieuwe Zijderoute, die China moet verbinden met markten in Europa en Azië. Het initiatief is vooral gericht op het verbeteren van handel en logistiek. Tegelijkertijd worden grote investeringen gedaan in mijnbouw, productie, landbouw en diensten, zowel voor export naar Chinese markten als voor verkoop op binnenlandse markten. Deze investeringen worden zowel in rijke landen als in ontwikkelingslanden gedaan.

De impact ervan voor die laatste groep zal waarschijnlijk groot zijn, vooral in ontwikkelingslanden die klem zitten in een val van trage groei en lage investeringen. Dit biedt de landen een enorme kans, maar voor maximale winst is het van groot belang dat de investeringen goed beheerd en gereguleerd worden.

Sterke positie

De meeste Chinese bedrijven die in het buitenland investeren, zijn middelgroot tot groot. Vaak zijn het staatsbedrijven of dochterondernemingen daarvan. Als zodanig hebben ze goede connecties met de overheid en een stevige positie.

Dit brengt met zich mee dat ze een zeer sterke onderhandelingspositie hebben ten opzichte van lokale partijen. Het risico bestaat dat ze daardoor gunstige voorwaarden kunnen afdwingen voor henzelf. Dat geldt vooral in landen waar lokale bedrijven klein zijn en beperkte financiële middelen en bestuurskwaliteiten hebben.

Er bestaat dringend behoefte aan wetgeving en regulering die garanderen dat contracten en overeenkomsten eerlijk en onpartijdig zijn. Dit is belangrijk voor alle sectoren, maar in het bijzonder voor activiteiten als mijnbouw. Daar zijn immers grote investeringen voor nodig en daar hangen soms contracten voor tientallen jaren aan vast. Het is van belang dat hier toezicht op is. Verder moet gegarandeerd worden dat de producten van de Chinese bedrijven die verkocht worden op de lokale markten een eerlijke prijs hebben en betaalbaar zijn voor de binnenlandse consument.

Daarnaast moet worden voorkomen dat bedrijven tegen te lage prijzen exportartikelen verkopen aan moederbedrijven, om belastingen te ontduiken. Dan komen er tegelijk minder buitenlandse valuta binnen in het gastland. Een negatieve impact op het milieu moet worden beperkt. Werknemers horen een eerlijk loon te krijgen en essentiële diensten als medische bijstand en onderwijs dienen beschikbaar te zijn. Ook moet voorkomen worden dat landeigenaren, boeren en huurders van hun land verdreven of uit hun huis gezet worden.

Gedeelde belangen

Misschien zullen deze strenge voorwaarden Chinese investeerders afschrikken. Maar Chinese investeringen moeten niet eenvoudig een kans op snelle winst zijn, maar een partnerschap voor langere tijd, gebaseerd op wederzijdse en gedeelde belangen, ook voor werknemers.

Deze voorwaarden zijn gemeengoed voor transnationale investeerders in de meeste rijke landen. Chinese bedrijven in deze landen hebben er geen moeite mee zich daaraan te houden. Er is geen reden om aan te nemen dat Chinese investeerders in ontwikkelingslanden soortgelijke voorwaarden niet zullen accepteren.

In de laatste decennia hebben veel Amerikaanse en Europese bedrijven zich steeds meer geconformeerd aan dergelijke wetten en regels. Veel van deze bedrijven hebben inmiddels ook programma’s voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). Chinese bedrijven zullen hetzelfde moeten doen, als ze op de middellange en lange termijn willen concurreren met westerse bedrijven.

Capaciteitsopbouw

Regeringen moeten wetten en regels maken om overzeese investeringen in goede banen te leiden. Zulke wetten zijn echter vaak moeilijk te implementeren in ontwikkelingslanden met beperkte bestuurscapaciteit. Dat is nog sterker het geval als het gaat om grote Chinese investeerders die, zoals gezegd, een goed netwerk hebben.

Het is onwaarschijnlijk dat ngo’s en pressiegroepen in China de lobby tegen oneerlijke handel of productiepraktijken door Chinese bedrijven in het buitenland op zich zullen nemen, iets wat wel gebeurde bij Amerikaanse en Europese bedrijven.

Dus rust er een grote verantwoordelijkheid op de schouders van ngo’s, de media en het rechtssysteem in ontwikkelingslanden. Die moeten de uitdaging aangaan.

Dat zal niet eenvoudig zijn; hulp van de internationale ontwikkelingsgemeenschap is daarbij zeer welkom. Op politiek niveau moeten de VN en andere instituten regeringen helpen met het formuleren van wetten en regels. En internationale ngo’s, lobbygroepen en consumentenverenigingen zullen organisaties in ontwikkelingslanden moeten oprichten en ondersteunen.

De moeilijkste hindernis ligt er echter voor regeringen in ontwikkelingslanden. Zij moeten leren inzien dat ngo’s, de pers en het rechtssysteem belangrijke partners zijn en geen beletsel voor handel en financiële partnerschappen.

De auteur is ontwikkelingsexpert en econoom. Bron: IPS.