Visie op schepping bepaalt verkondiging

Geloof & wetenschap
„Het laat zich raden dat de vernederende gang van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest beslissend is voor onze missionaire inspanning om mensen te benaderen met de boodschap van oordeel en genade.” Foto RD, Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Prof. dr. A. van de Beek pleitte op 18 mei tijdens een bezinningsavond van de IZB in Nijkerk voor bezinning op de manier van evangeliseren. Dr. P. J. Visser

is het niet met zijn aanpak eens en vindt dat de hoogleraar het gereformeerde spoor verlaat.

Terwijl dr. A. van de Beek en ondergetekende op de ledenvergadering van de IZB de degens kruisten, bleek dat hij op de belangrijkste ’stoot’ van mij uiteindelijk niet echt reageerde, maar intussen wel allerlei andere ’stoten’ uitdeelde. Hoe trefzeker die ook waren, deze reactie van mijn ’tegenstander’ hield tegelijk iets onbevredigends. Vandaar dat ik mijn belangrijkste vraag aan hem alsnog een keer formuleer. In de hoop dat het duidelijk wordt waar het echte punt van verschil ligt.

Ik stem volledig in met Van de Beek dat het hart van de missionaire verkondiging niets anders kan en mag zijn dan de boodschap van oordeel en gerechtigheid, zoals die in Christus op een beslissende wijze aan het licht gekomen zijn. En ik beaam het als hij in dit licht een theologie van de vooruitgang en van de geborgenheid respectievelijk als te optimistisch en te oppervlakkig van de hand wijst. En voor alle duidelijkheid: deze boodschap van zonde en genade is wat mij betreft de rode lijn in alle prediking en pastoraat, tot op de Alpha-cursus toe.

Indringende vraag
Tegelijk heb ik een indringende vraag bij de antithetische wijze waarop Van de Beek dit Evangelie gecommuniceerd wil zien. Is dit van hem enkel een manier van zeggen om vandaag de dag onomwonden duidelijk te maken dat de boodschap van de Gekruisigde en Opgestane uiteindelijk geen enkel compromis verdraagt met de cultuur, maar daar volkomen haaks op staat. Of is hier meer aan de hand? Ik neig sterk tot het laatste.

Als ik hem goed begrepen heb, wil Van de Beek -in de lijn van K. Barth- uiteindelijk in zijn theologie niet weten van een goede schepping en de zondeval. De wereld is voor hem vanaf den beginne een zondige wereld. Die daarom louter en alleen onder het oordeel ligt. Aan zo’n wereld is geen enkele eer te behalen. En in zo’n wereld heeft het voor God geen zin om ingangen te zoeken voor Zichzelf, omdat die er eenvoudigweg niet zijn. En dat moeten wij dus, volgens Van de Beek ook niet doen. Anders zouden wij wijzer zijn dan Hij.

Het enige wat God nu overblijft -nu Hij zelf als Schepper vuile handen heeft en deze wereld in liefde wil opvangen- is haar in Christus richten en redden. En de enige boodschap die Hij sindsdien aan de wereld heeft, is aanzeggen van dit gericht en deze redding, met de roep om zich in de doop aan deze nieuwe werkelijkheid over te geven.

Deze rechttoe-rechtaan benadering, waarbij het buigen of barsten is, overgave of ergernis, lijkt stoer en stijl, maar komt in principe voort uit een niet-gereformeerde visie op de schepping en de mens. Met alle respect voor Van de Beeks hartstocht, onder zijn ’orthodoxe’ benadering zit een bedenkelijk fundament.

Gereformeerd is anders
In de gereformeerde theologie ligt de zaak genuanceerder en bijbelser. Zij gaat uit van een goede schepping, waarin de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, als Zijn ”tegenover” geroepen is om in een relatie (van liefde) met Hem te leven.

Deze relatie vormt de schepselmatige(!) basis van ons menselijk bestaan. Ook na de val wordt die niet opgeheven. Wij worden niet ontmenselijkt. En al ligt de gevallen wereld onder het oordeel, zij blijft tegelijk Gods wereld, waarin Hij op talloze manieren bezig is, Zich met ons inlaat en aandacht vraagt voor Zichzelf.

Op die wijze realiseert zich de zogenaamde algemene openbaring (zoals J. H. Bavinck dit in de lijn van Calvijn op een existentiële wijze uitwerkte), die het mogelijk maakt om überhaupt met mensen over de ”onbekende God” te spreken (Handelingen 17). Al is de mens los van God, God is niet los is van de mens.

Hierin handhaaft God de ik-Gij-relatie waarin wij geschapen zijn. Ook na onze val blijft Hij ons volop serieus nemen als Zijn ”tegenover”. Hij ”overrulet” ons dan ook niet, maar gaat voortdurend met ons vanuit Zijn woord en door de Geest (direct en via ons) het gesprek aan. Opdat wij stukje bij beetje (als schepsel kunnen wij trouwens ook niet méér dan dat) opnieuw gaan verstaan wat Hij op Zijn hart heeft.

Het laat zich raden dat deze vernederende gang van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest beslissend is voor onze missionaire inspanning om mensen te benaderen met de boodschap van oordeel en genade. Kort gezegd: In alle ernst mag en moet het er menselijk aan toe gaan. Ik blijf benieuwd wat Van de Beek hierop zegt.

voetnoot (u17(De auteur is bestuurslid van de IZB en predikant in Den Haag.