Vervullingstheologie vervangt vervangingstheologie

„Er zijn profetieën speciaal gericht tot de stad Jeruzalem, die vertrapt zal worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn (Lukas 21:24).” Foto: Jeruzalem tijdens het Paasfeest. beeld iStock

In hun reactie op een interview met Jeroen Bol (RD 19-3) wijzen drs. Piet Guijt, dr. Steven Paas en drs. Kees van der Ziel erop dat de profetische beloften aan Israël „in principe al vervuld zijn in Christus” (RD 28-3). De vraag is wat zij met dit „vervuld in Christus” bedoelen. We zijn bang dat daarmee een verenging van Gods beloften optreedt.

2020-03-19-katDO2-JeroenBol-5-FC_webJeroen Bol is met zijn Jules Isaac stichting op zoek naar een gezonde Israëltheologie

2020-03-28-OPN1-Israel_en_het_heil-6-FC-V_webBijbelse beloften alleen vervuld in gelovige Jood en heiden

Al Gods beloften worden vervuld op grond van het heilswerk van Christus. Terecht wijzen de drie auteurs erop dat alle beloften in Christus vast en zeker zijn. „Zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen” (2 Korinthe 1:20).

Maar nergens in de Bijbel staat dat alle beloften in Christus vervuld zijn, zoals de auteurs beweren. Dat kan ook niet, omdat niet alle beloften en profetieën uitsluitend betrekking hebben op Christus. Heel wat beloften en profetieën hebben bijvoorbeeld betrekking op het vrederijk dat Christus zal brengen, wanneer de zwaarden worden omgesmeed tot ploegscharen (Jesaja 2:4). En er ligt een belofte voor heel de schepping, die bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf (Romeinen 8:21).

Verbondstrouw

De auteurs scheren alle beloften over één kam. Ze zijn allemaal „in Christus vervuld en bestemd voor alle volken en rassen.” Maar in de Bijbelse profetieën kom je onderscheid tegen, niet alleen wat betreft de inhoud, maar ook wat betreft degenen voor wie de beloften bestemd zijn. Er zijn beloften voor alle gelovigen. Maar er zijn ook profetieën speciaal bestemd voor de heidenvolkeren, bijvoorbeeld de belofte dat het Evangelie verkondigd zal worden in heel de wereld, tot een getuigenis voor alle volken (Mattheüs 24:14). Er zijn profetieën speciaal voor Israël, zoals de belofte van het herstel van het koningschap over Israël (Ezechiël 37, Handelingen 15:16). Er zijn profetieën speciaal gericht tot de stad Jeruzalem, die vertrapt zal worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zijn (Lukas 21:24).

Door alle beloften onder één noemer te brengen, lijkt bij de drie auteurs het zicht op de breedte en de reikwijdte van Gods beloften zich te vernauwen. „Gods beloften blijven gelden voor alle mensen”, schrijven ze. Maar Paulus noemt een aantal beloften die, in onderscheid van de heidenen, specifiek aan „de vaderen” zijn gericht. En van die beloften zegt Paulus dat „Christus een Dienaar van de besnijdenis is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Romeinen 15:8). Dus vanwege Gods waarachtigheid, Zijn verbondstrouw aan Israël, zal God deze beloften nakomen.

Aanneming tot kinderen

De drie schrijvers richten zich tegen „de suggestie dat Israël als volk blijvend een uitzonderlijke verbondsstatus heeft behouden.” Maar dat is toch precies wat Paulus zegt in Romeinen 3: „Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is het voordeel van het besneden zijn? Veel, in alle opzichten” (Romeinen 3:1-2). „Zij zijn immers Israëlieten; voor hen geldt de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften” (Romeinen 9:4).

Al die voorrechten golden niet alleen in het verleden, maar gelden nog steeds wanneer Paulus daarover schrijft, ook al hebben op dat moment veel Joden Christus afgewezen. En als sommige Joden „ontrouw zijn geweest, dan zal hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen? Volstrekt niet!” (Romeinen 3:3-4). Ook hier geeft Paulus weer als reden: „God is waarachtig” (Romeinen 3:4).

Lege handen

De auteurs wijzen de gedachte dat de kerk het volk Israël heeft vervangen af. Maar zij stellen wel: Gods beloften gelden voor alle mensen en er zijn geen beloften voor Israël meer. Israël heeft als volk geen bijzondere verbondsstatus meer. En de vruchten van Gods beloften kunnen alleen door de gemeente als het nieuwtestamentische volk van God worden geplukt.

Naar onze mening staat Israël zo met lege handen en heeft de gemeente, aan wie God Zijn beloften uitsluitend zal vervullen, feitelijk Israël vervangen. De Bijbel noemt God ruim tweehonderd keer „de God van Israël.” Is Hij dat nu nog steeds, of eigenlijk niet meer?

Ds. F. A. J. Heikoop is voorzitter van het bestuur van Stichting Christenen voor Israël, ds. C. G. Kant is directeur van Christians for Israel International.