Vermaning en vertroosting

Anthony Brummelkamp, een pastoraal prediker, behoorde tot de eerste docenten aan de Theologische School in Kampen. beeld RD

Anthony Brummelkamp. Een van de vaders van de Afscheiding. Een irenisch man en een pastoraal prediker was hij. Dr. M. te Velde schreef een mooie biografie van deze afgescheiden dominee.

In zijn derde gemeente, Arnhem, kwam Brummelkamp veel tegen wat niet door de beugel kon. Hij nam zich voor om de eerstkomende zondag op de kansel eens flink de zweep over zijn gemeente te leggen.

Maar stond hij eenmaal op de preekstoel, dan veranderde zijn gezindheid. Hij zag hen zitten, de moeders die de hele week druk waren geweest met hun kroost, de jongelui in hun jeugdige beweeglijkheid, de mannen, gekromd en verweerd vanwege hun dagelijks werk. Waarop de prediker dacht: laat ik ze toch maar troosten. En zo deed hij...

Een mooi en ontroerend verhaal, dat hier en daar wel eens in herinnering wordt gebracht. Als illustratie in een pleidooi om in kerk en gemeente het gesprek niet al te scherp te voeren. Laat de ratio niet de boventoon hebben. Dat brengt alleen maar ruzies en verwijdering. Hete hoofden, koude harten. Nee, dan liever gekozen voor een benadering als die van Brummelkamp. Geef vertroosting voorrang boven vermaning!

Maar mogen we de Brummelkampvariant zomaar van toepassing verklaren op het gesprek in kerken en kerkelijke vergaderingen? Als er praktijken en/of leerstellingen worden gepropageerd waarvan het maar de vraag is of ze de toets van de Schrift kunnen doorstaan. Zou het dan niet juist geboden zijn liever langer te luisteren? Jazeker, naar elkaar. Maar vooral en allereerst naar de boodschap van de Heilige Schrift. En als er reden tot vermaning is, moet die ook klinken. Bewogen en helder. Uit liefde tot Christus. En met het oog op de heiligheid van Zijn gemeente.

Het Woord van God Zelf gaat ons daarin voor. Ik zou kunnen wijzen op de vele parenetische (vermanende) gedeelten uit Paulus’ zendingsbrieven. Aan de Galaten bijvoorbeeld. „O, gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat ge de waarheid niet zou gehoorzaam zijn...?”

Maar vooral denk ik nu aan Judas, de schrijver van een klein zendbriefje. Bescheiden noemt hij zich dienstknecht van Jezus Christus. Hij richt zijn brief aan de „geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard.” Met deze gelovigen heeft Judas een geestelijke band. Het is zijn voornemen, zo lezen we, „dat ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de algemene zaligheid.” Hij heeft iets met hen te delen: de zaligheid in Christus Jezus.

Maar – verrassend! – het komt er niet van. Misschien heeft Judas de eerste letters al op het papier gezet. Om warm en vertroostend te gaan schrijven over wat ze gemeen hebben: de zaligheid. Maar de Heilige Geest belet het hem.

Judas moet zijn brief niet vullen met vertroostingen, maar met vermaningen. Scherpe, concrete vermaningen zelfs. Er zijn dwalingen de gemeente binnengekomen. Daarom roept hij zijn lezers op „dat gij strijdt voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is.” Ze worden opgeroepen pal te staan voor de waarheid en de leugen te ontmaskeren. Daarmee vult hij zijn brief.

Is er dan geen troost in de brief van Judas? Jawel, als ze de vermaning ter harte genomen hebben. „Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid in vreugde, de alleen wijze God onze Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.”