Verklaring dr. Golverdingen en ds. Roos na briefwisseling

Scheuring 1953
Ds. J. Roos, predikant van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
2

Met een gezamenlijke verklaring in de kerkelijke bladen De Saambinder en De Wachter Sions hebben dr. M. Golverdingen (Gereformeerde Gemeenten) en ds. J. Roos (Gereformeerde Gemeenten in Nederland) vandaag hun schriftelijke discussie over de historische ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten rond 1950 afgesloten. Hieronder de integrale tekst.

Gedurende de afgelopen maanden heeft er een uitvoerige en constructieve briefwisseling tussen dr. M. Golverdingen en ds. J. Roos plaatsgevonden naar aanleiding van de recensie door ds. Roos van de dissertatie ”Vernieuwing en verwarring” van dr. Golverdingen.

Deze briefwisseling heeft onder meer door enkele nieuwe gegevens meer licht geworpen op de historische ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten rond 1950, en door verduidelijking van sommige standpunten ook geleid tot een beter wederzijds verstaan. Hieronder worden de uitkomsten van de briefwisseling kort weergegeven.

1. De leeruitspraken van 1931

De samenvatting van de zesde leeruitspraak van 1931 die dr. Golverdingen in zijn proefschrift gaf, werd door ds. Roos in zijn recensie omschreven als een „aan onzorgvuldigheid grenzende omissie.” Dr. Golverdingen heeft verduidelijkt dat de weergave niet bedoeld was als een samenvatting van deze leeruitspraak, zodat er geen sprake was van een aan onzorgvuldigheid grenzende omissie, maar van een onduidelijkheid. Dr. Golverdingen en ds. Roos zijn het er beiden over eens dat de verantwoordelijkheid van de mens niet begint bij het horen van de Evangelie­prediking. De mens is allereerst verantwoordelijk omdat hij goed en naar Gods beeld geschapen is. God eist Zijn beeld terug. De verantwoordelijkheid wordt groter door de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden in het Evangelie. Ds. Roos erkent dat de uitdrukking „een aan onzorgvuldigheid grenzende omissie” daarom niet van toepassing blijkt te zijn op het standpunt van dr. Golverdingen over deze leeruitspraak.

2. De visie van dr. C. Steenblok op de algemene genade

Dr. Golverdingen heeft in de dissertatie aangegeven dat dr. Steenblok „elke relatie tussen het Middelaarswerk van Christus en de algemene genade ontkent.” Gebleken is dat deze samenvatting de opvattingen van dr. Steenblok onvoldoende recht doet. Dr. Golverdingen is voornemens bij een volgende druk van zijn dissertatie hierop een correctie aan te brengen.

3. De visie van dr. C. Steenblok op de uitwendige roeping

In de dissertatie wordt gesteld dat dr. Steenblok „een verkeerd gebruik maakte van de heilsorde –wet en evangelie– zoals die bij de oude, gereformeerde theologen werd gebruikt.” Ook wordt gesteld dat dr. Steenblok leerde dat aan de onbekeerden alleen de wet verkondigd moest worden, en aan de gelovigen alleen het Evangelie. Uit bronnen is gebleken is dat deze samenvatting de opvattingen van dr. Steenblok onvoldoende recht doet. Dr. Golverdingen is voornemens bij een volgende druk van zijn dissertatie hierop een correctie aan te brengen.

4. Bronnengebruik

Ds. Roos heeft dr. Golverdingen bekritiseerd vanwege het selectief gebruik van bronnen. Ds. Roos hecht eraan te benadrukken dat hij niet bedoeld heeft de integriteit van dr. Golverdingen als kerkhistoricus in twijfel te trekken. Dr. Golverdingen stelt dat het bij nader inzien consequenter zou zijn geweest wanneer ook iemand als ds. F. Mallan was geïnterviewd.

5. Het verbond der Genade van de Erskines en Fisher

Dr. Golverdingen stelt in zijn dissertatie dat ds. G. H. Kersten dr. C. Steenblok duidelijk heeft willen waarderen en enigszins heeft willen corrigeren met de uitgave van ”Het verbond der Genade” van de Erskines en Fisher. In zijn studie geeft dr. Golverdingen voor het corrigeren het argument dat ds. Kersten een aantal opvallende cursiveringen heeft aangebracht in het boekje. Gebleken is echter dat de gedachte dat ds. Kersten deze cursiveringen zelf heeft aangebracht onhoudbaar is. Hij nam de cursiveringen uit de Engelse tekst grotendeels over van de oorspronkelijke auteurs. Dr. Golverdingen erkent dit, maar acht het toch niet uitgesloten, gelet op de kerkhistorische samenhang der dingen, dat ds. Kersten zijn opvolger door de uitgave voorzichtig wilde bijsturen. Ds. Roos is van mening dat dit niet waarschijnlijk is, gelet op het voorwoord van het boekje waarin ds. Kersten waarderende woorden uit richting dr. Steenblok en stelt dat het boekje gericht is tegen de drieverbondenleer en een daarop gebaseerde evangelieprediking.

6. Vooroverleg voor de synode van 1950

Uit de dissertatie van dr. Golverdingen kan de conclusie worden getrokken dat er vóór de synode van 1950 geheim vooroverleg is geweest over het voorzitterschap van ds. D. L. Aangeenbrug en een schorsing van ds. R. Kok. Uit latere bronnen (van na de door dr. Golverdingen onderzochte periode) blijkt dat deze conclusie genuanceerd moet worden, in de zin dat het niet waarschijnlijk is dat zulk overleg heeft plaatsgevonden.

Hoewel er verschillen blijven in de evaluatie van historische ontwikkelingen in de Gereformeerde Gemeenten tussen dr. Golverdingen en ds. Roos, hechten beiden eraan om de hierboven bereikte resultaten van een constructieve briefwisseling te delen, in de hoop dat daarmee bijgedragen wordt aan een beter verstaan van de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten.