Verantwoord koopgedrag in supermarkt kan wereldwijde uitbuiting verminderen

„Moderne slavernij komt het meeste voor in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, maar ook in (Zuid)oost-Europa.” Foto: werkers op een koffieplantage in El Salvador. beeld EPA, Yuri Cortez

Bedrijven en consumenten in Nederland kunnen nog meer doen om moderne slavernij bij het produceren van voedsel tegen te gaan, betoogt Birgit de Vos.

Eet u weleens chocola, suiker, garnalen, ananas of hazelnoten? Dan is er een kans dat u een product hebt gekocht waar mensen voor zijn uitgebuit. Recent onderzoek door de International Labour Organization (ILO) en The Walk Free Foundation laat namelijk zien dat momenteel meer dan 25 miljoen mensen slachtoffer zijn van gedwongen arbeid.

Er zijn verschillende vormen van moderne slavernij waarbij mensen worden uitgebuit, geïntimideerd of gedwongen om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Moderne slavernij komt het meeste voor in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, maar kan ook spelen in (Zuid)oost-Europa.

Met name arme dagloners en migranten zijn kwetsbaar. Ze moeten veel uren maken met zwaar en gevaarlijk werk. Bij ziekte krijgen ze niet uitbetaald. Soms wordt hun paspoort ingenomen, zodat ze niet weglopen tijdens de oogst, of moeten ze gratis werken om schulden af te lossen. Ze zijn afhankelijk en daardoor gemakkelijk uit te buiten.

Moeilijk controleerbaar

Vaak vindt uitbuiting plaats op afgelegen plantages of op schepen die maandenlang op zee zijn. Dit maakt controle ingewikkeld. Ook is er vaak weinig zicht op álle partijen die betrokken zijn bij de productie van een bepaald product. De supermarkt heeft voor bijvoorbeeld sinaasappelsap, chocola of hazelnootpasta alleen contact met de directe leverancier, niet met de tussenhandelaar of de boeren zelf.

Daarnaast zijn er allerlei partijen bij de productie betrokken die zich niet direct geroepen voelen om op te treden tegen de uitbuiting van anderen. Bedrijven vrezen voor hun reputatie en lokale overheden zien graag hun export toenemen.

Overheden van importerende landen willen bedrijven niet te veel voor de voeten lopen met strenge regels. En malafide tussenpersonen verdienen aan de handel in mensen en schulden.

Wassen neus

Bedrijven weten dat uitbuiting kan voorkomen wanneer ze producten kopen uit zogenoemde risicolanden. Ze sturen daarom gedragscodes naar hun leveranciers, waarin ze moeten verklaren dat ze voor de productie van hun thee of chocola geen gebruikmaken van moderne slavernij. Zo zijn ze in elk geval juridisch afgedekt.

Dit is echter een wassen neus als bedrijven niet regelmatig zelf gaan controleren. Ook een label is niet 100 procent waterdicht, wanneer je niet meerdere keren per jaar een kijkje neemt of laat nemen.

Laagste prijs

Meer doen tegen uitbuiting begint met het in kaart brengen van je leveranciers en de leveranciers van je leveranciers. Daarnaast moet je je bewust zijn van de risico-indicatoren. Voor mijn werk bij Wageningen University & Research en The Sustainability Consortium breng ik de risico-indicatoren in kaart, om zo bedrijven te kunnen adviseren hoe ze met strategische keuzes het risico op moderne slavernij in hun keten kunnen verminderen.

Als je als bedrijf je producten haalt uit lagelonenlanden, met de aanwezigheid van migranten, tijdelijke arbeiders, een zwakke of corrupte overheid en afgelegen plantages zonder transportmogelijkheden in de buurt, loop je het risico dat je moderne slavernij mede in stand houdt.

De risico’s zitten echter niet alleen in het land van productie. Je moet ook oog hebben voor de wijze waarop je bijvoorbeeld je inkopers in je eigen land aanstuurt. Als je de inkoper op pad stuurt met alleen het advies om de laagste prijs eruit te halen, dan is dit ook een risico-indicator. En kijk ook naar de visie van aandeelhouders van beursgenoteerde bedrijven. Als ze alleen sturen op kortetermijnwinsten, zonder de lange termijn in de gaten te houden, vormt dit ook een risico. Zijn in je keten meerdere van dit soort risico-indicatoren aanwezig, dan is de kans groot dat er moderne slavernij in voorkomt.

Openheid

Consumenten hebben ook een verantwoordelijkheid. Producten met de laagste prijsgarantie hoeven niet per se de meest duurzame te zijn. Daarnaast kunnen ze aan supermarkten vragen stellen over producten uit risicolanden of kiezen voor een duurzamer alternatief.

Het belangrijkste is dat we als consument bedrijven steunen die durven toe te geven dat hun productketens niet vrij zijn van misstanden en dit proberen op te lossen. Alleen met openheid kan er echt iets veranderen. Gezien de omvang van de problematiek kan wel gesteld worden dat die niet bij slechts een enkel bedrijf speelt.

De auteur is senior onderzoeker en consultant werkzaam bij Wageningen Economic Research en The Sustainability Consortium. Zie ook wur.nl/nl/Expertises-Dienstverlening/Onderzoeksinstituten/Economic-Research.htm en sustainabilityconsortium.org/