Vak geschiedenis moet leerling historisch besef bijbrengen

„Tijdens zijn vele optredens over onderwijsvernieuwing werd Paul Schnabel niet moe elke keer te vragen wanneer Willem II koning in Nederland was.” Foto: de inhuldiging van koning Willem II in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, op 28 november 1840 (schilderij van Nicolaas Pieneman). beeld Geheugen van Nederland

In een drieluik worden verleden, heden en toekomst van het geschiedenisonderwijs belicht. Vandaag deel 1: drs. Ton van der Schans gaat in op het belang van goed geschiedenisonderwijs voor persoonlijke en maatschappelijke vorming.

„Tegenwoordig is er geen écht geschiedenisonderwijs meer.” Met enige zelfverzekerdheid keek de gepensioneerde oud-onderwijsman me aan, terwijl hij zijn mening gaf. Zou het waar zijn? Of was mijn oud-collega niet meer bij de tijd?

Bij Paul Schabel, tot voor kort voorzitter van Platform Onderwijs 2032 en iemand die bij uitstek wordt geacht de tijd te verstaan, leven ook opvallende beelden over het vak geschiedenis. Tijdens zijn vele optredens over onderwijsvernieuwing werd hij niet moe elke keer te vragen wanneer Willem II koning in Nederland was. Achter zijn triomfantelijke lachje, als de zaal niet snel genoeg het antwoord gaf, gaat echter wel een verkeerd beeld van het geschiedenisonderwijs schuil. Alsof het bij geschiedenis om encyclopedische kennis en jaartallen gaat.

Het geschiedenisonderwijs kan echter juist in onze digitale wereld, waarin ‘professor Google’ de meest geraadpleegde ‘hoogleraar’ is, niet worden opgedoekt. Het is meer dan ooit nodig. Daarbij moeten we wel de juiste vragen stellen.

Thierry Baudet

Soms krijg je als geschiedenisleraar onverwachte bijval. Ivar Gierveld, docent Nederlands op scholengemeenschap Marianum in het Gelderse Groenlo, had in november aan zijn vwo 5-leerlingen een pracht van een opdracht gegeven. De leerlingen moesten uit tien mogelijke onderwerpen een thema kiezen en daar een beschouwing over schrijven. De docent keek daarbij vooral naar de wijze van argumenteren door de leerlingen. De beoordeling telde mee voor het schoolexamen. Een van de onderwerpen waaruit de leerlingen konden kiezen, was –zoals de school het omschreef– ”alternatief rechts”.

Deze opdracht ging over Thierry Baudet, leider van Forum voor Democratie, die de vaderlandse politiek flink opschudt. Met zelfgekozen woorden gaf de docent informatie over Baudet aan de leerlingen. Volgens Gierveld zouden we, als het aan Baudet ligt, naar een Nederland moeten waarin slechts enkele witte mannen de macht hebben. Ook werd gezegd dat in Baudets wereldbeeld klimaatverandering een verzinsel is en Nederlanders zouden lijden aan oikofobie (afkeer van het eigene). Baudet was woedend om de opdracht, omdat hij zich geen recht gedaan voelde, maar dat kan een spel zijn om meer aandacht te krijgen.

In ieder geval is de vraag die de leerlingen moesten beantwoorden voluit historisch, namelijk: „Is Baudet een tijdsverschijnsel dat snel weer uitsterft? En hebben zijn ideeën, die populair zijn bij onder anderen jongeren die een hoge opleiding hebben genoten, daadwerkelijk bestaansrecht voor langere tijd?”

Historisch besef

Van dit soort vragen lusten geschiedenisleraren wel pap. Ze doen niet anders dan zulke vragen stellen. Deze raken namelijk de essentie van het vak: historisch besef. Dat besef stelt de leerling in staat een relatie te leggen tussen de interpretatie van het verleden, het verstaan en verklaren van de eigen plaats in het heden en perspectieven op de toekomst. Kortom, vanuit de eigen biografie leren en ontdekken leerlingen verbanden tussen hun eigen en andermans verleden, heden en toekomst. Geschiedenisleraren onderscheiden zich van andere leraren omdat ze van hun leerlingen vragen dat ze hun beelden van het verleden op historisch bewijs baseren.

De unieke bijdrage van het vak geschiedenis aan de vorming van de leerling is: inzicht en overzicht bieden in die enorme wereld die achter ons ligt en tegelijkertijd deel uitmaakt van onze cultuur. Historisch denken en redeneren neemt de centrale plaats in bij eigentijds geschiedenisonderwijs. De motor hiervoor is historische interesse. Het gaat niet zonder historische kennis en vaardigheden.

Het onderwerp ”Baudet” kunnen we een historische kwestie noemen. Leerlingen leren hierbij de vraag in de historische en maatschappelijke context te plaatsen. Ze stellen vragen, zoeken analogieën, onderzoeken bronnen, gebruiken argumenten. Ze zien veranderingen en continuïteit, oorzaken en gevolgen, overeenkomsten en verschillen, waarden en normen.

Leerlingen

Goed geschiedenisonderwijs is écht op leerlingen gericht. Deze gerichtheid op onze leerlingen betekent niet dat we als docenten door de knieën gaan door ons eventueel aan de gemak- of genotzucht van leerlingen aan te passen. Wel dat historische kwesties betekenis moeten hebben voor de leerlingen.

Inlevingsvermogen en kritisch denken zijn hierbij onmisbaar. Een voorbeeld hiervan is deze historische vraag of kwestie: „Waarom migreren mensen en wat gebeurt er bij ontmoetingen tussen verschillende culturen?”

Veel meer moet vanuit het verleden de relatie met het heden ontdekt worden. Religieuze strijd om Jeruzalem. Treinkaping bij De Punt in 1977. Straten en gebouwen die de namen dragen van mannen die tot voor kort zeehelden werden genoemd. De dekolonisatieoorlog in Indonesië. De Muur van Mussert in Lunteren. Zwarte Piet, de VOC-mentaliteit en het slavernijverleden. Het geschiedenisonderwijs moet kennis van het verleden structureel inzetten bij de discussie over actuele onderwerpen. En andersom. Vragen uit het heden hebben een parallel in het verleden.

Persoonsvorming

Het bijdragen aan het historisch besef en het leren van historische denk- en redeneervaardigheden gaan samen met de overdracht van waarden. Het raakt immers aan de identiteit van individuen en groepen. Wie ben ik en wie zijn wij? Welke rol spelen personen en omstandigheden uit het verleden, tijd- en plaatsgebondenheid hierbij?

Nu wordt het spannend. De liberaal-progressieve opvatting stelt dat de hedendaagse en toekomstige samenleving maakbaar zijn. Of je deze uitspraak kunt onderschrijven, is afhankelijk van het mens- en wereldbeeld dat je aanhangt. Naar mijn persoonlijke overtuiging is de hedendaagse samenleving niet alleen het product van structuren en processen, maar ook van het handelen van God en van mensen. Dat laatste maakt onze verantwoordelijkheid groter. En tegen mijn oud-collega zou ik zeggen: het gaat bij geschiedenis niet om jaartallen, maar geschiedenis kan ook niet zonder.

De auteur is voorzitter van de Vereniging van docenten geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (VGN) en docent geschiedenis aan Driestar hogeschool. Dinsdag deel 2: ”Als geschiedenis schuurt. Historische narrativiteit in een wereld van internet”, door drs. Gijs Gaans.