Toon respect voor natuurwetenschappen

beeld Wikimedia Wikimedia

Wie de dood in het dierenrijk een gevolg van de zondeval noemt, maakt het geloof onaanvaardbaar voor natuurwetenschappers, betoogt prof. dr. P. J. Slootweg.

In RD 25-11 schrijft prof. dr. Benno Zuiddam over de gedachten van Irenaeus en Theophilus in relatie tot hedendaagse opvattingen over schepping en evolutie. Met de val van de mens valt volgens deze vroege kerkvaders ook het dierenrijk. Het ontaardt en komt terecht te midden van dood, verderf, ziekte en overleving van de sterkste. De goede schepping maakt plaats voor de vloek van natuurlijke selectie. Het is de zonde van de mens die deze vloek over de aarde heeft gebracht. Dieren zoals de leeuw, die nu als vleeseters door het leven gaan, zijn vegetarisch geschapen en zullen dat in de toekomst opnieuw doen; de leeuw zal immers stro eten als een rund.

Het is duidelijk dat deze gedachten haaks staan op de uitgangspunten van het theïstische evolutionisme, dat ervan uitgaat dat de Bijbel ons vertelt Wie schiep en dat de natuurwetenschap ons iets kan vertellen over de wijze waarop. Prof. Zuiddam windt er geen doekjes om: „Als theologen zich in duizend bochten moeten wringen om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het proces van evolutie –een fabriek van de dood die tot op heden ‘vrolijk’ door blijft draaien– toch gekarakteriseerd kan worden als een zeer goede schepping, dan getuigt dat meer van zelfhypnose dan van realiteitszin.”

Onwetendheid

Als theïstisch evolutionist zou ik nu geslagen in een hoekje moeten gaan zitten, maar alvorens dat te doen, wil ik aandacht vragen voor een andere stem uit de Vroege Kerk door niet alleen naar Irenaeus en Theophilus te luisteren, maar ook Augustinus aan het woord laten. Hij schreef in zijn commentaar op Genesis het volgende:

„In het algemeen weet ook een niet-christen iets over de aarde, de hemelen, en de andere elementen van deze wereld, over de beweging en de baan van de sterren en zelfs hun grootte en de onderlinge posities, over de voorspelbare verduisteringen van de zon en de maan, de cycli van de jaren en de seizoenen, over de soorten dieren, struiken, stenen, enzovoort en deze kennis houdt hij voor zeker op grond van redenering en ervaring. Nu is het een schandelijke en gevaarlijke zaak wanneer een ongelovige een christen, die naar hij veronderstelt de Heilige Schrift uitlegt, onzin over deze onderwerpen hoort spreken en we moeten elk middel te baat nemen om een dergelijke pijnlijke situatie waarin mensen enorme onwetendheid in een christen bemerken en hem belachelijk maken te voorkomen. De schande is niet zozeer dat een onwetend individu wordt uitgelachen, maar dat mensen buiten de geloofsgemeenschap denken dat onze gewijde schrijvers dergelijke opvattingen aanhangen en dat de schrijvers van onze Schrift worden bekritiseerd en verworpen als onwetende mannen zodat degenen voor wier zaligheid wij zwoegen, verloren gaan. Als ze bemerken dat een christen zich vergist op een gebied waarin zij zelf goed thuis zijn en horen hoe hij zijn dwaze opvattingen over onze geschriften handhaaft, hoe zullen zij dan die boeken geloven in zaken aangaande de opstanding van de doden, de hoop op het eeuwige leven en het Koninkrijk der hemelen wanneer ze denken dat deze bladzijden vol staan met onjuistheden over zaken die zij zelf hebben geleerd uit ervaring en het licht van de rede?”

Met deze woorden geeft Augustinus in de eerste plaats blijk van respect voor kennis van de natuur die verworven is door redenering en ondervinding. In de tweede plaats vindt hij het schandelijk en gevaarlijk als gelovigen stellige beweringen waarvan de inhoud strijdt met natuurwetenschappelijke kennis, menen te kunnen onderbouwen vanuit de Bijbel. In de derde plaats pleit hij ervoor aan de geloofwaardigheid van de Schrift in de wezenlijke zaken geen afbreuk te doen door het vasthouden aan opvattingen die overduidelijk strijden met datgene wat de ervaring en gezond verstand ons bijbrengen.

Projectie

Kennelijk kan ook in de geschriften van de vroege kerkvaders iedere ketter een hem welgevallige letter vinden. Het zal u niet verbazen dat ik me meer thuis voel bij de opvattingen van Augustinus dan bij de gedachten van Irenaeus en Theophilus, temeer daar zij meer ruimte bieden voor een vruchtbare dialoog tussen theologie en natuurwetenschap.

Die voorkeur neemt niet weg dat ik het probleem dat prof. Zuiddam aansnijdt, wel degelijk onderken. Hoe kan het kwaad van „eten en gegeten worden” een plaats hebben in een schepping waarvan God zegt dat die goed, zelfs zéér goed is? Maar dan vraag ik: Waarom is het kwaad als het ene dier het andere opeet? Dieren hebben geen moreel besef. Hun handelen laat zich niet beoordelen in termen van goed of kwaad. Het is de projectie van onze opvattingen over goed en kwaad in het dierlijk gedrag die ons parten speelt. De evolutie is niet wreed. Wreedheid is een bewuste menselijke activiteit en geen eigenschap van een natuurlijk proces.

De auteur is hoogleraar klinische pathologie aan het Radboud universitair medisch centrum te Nijmegen.