Toenemende druk voor orgaandonatie onderbelicht

Orgaandonatie
Er ligt een edele taak voor ethici en theologen om zich te bezinnen op de vraag of we nog in staat zijn lijden te dragen.  beeld ANP, Remko de Waal

In christelijk Nederland spitst de discussie over orgaandonatie zich toe op de vraag of orgaandonatie toelaatbaar is. De oorzaak van de toenemende maatschappelijke aandrang op orgaandonatie blijft daardoor onderbelicht.

Het televisieprogramma De Grote Donorshow, gepresenteerd door Patrick Lodiers, zette de kwestie van de orgaandonatie in 2007 stevig op de agenda. Sindsdien is het onderwerp niet van de lucht geweest in het publieke debat. Onderliggende boodschap van de show en tevens teneur van de wetswijzigingen sindsdien is dat het niet kan bestaan dat er wachtlijsten zijn voor donororganen en dat derhalve meer mensen organen zouden moeten doneren. Onderliggende (betwistbare) vooronderstelling lijkt te zijn dat mensen wier organen falen recht hebben op vervanging daarvan.

In christelijk Nederland spitst de discussie over orgaandonatie zich toe op de vraag of orgaandonatie toelaatbaar is. De meeste commentatoren lijken het erover eens te zijn dat dit, onder bepaalde voorwaarden, in meer of mindere mate het geval is. Door deze toespitsing in de discussie verdwijnt echter de levensbeschouwelijke onderstroom van de toenemende maatschappelijke aandrang op orgaandonatie buiten beeld.

Waarom wordt er immers zo sterk aangedrongen op orgaandonatie? In mijn waarneming heeft dit te maken met het levensgevoel in onze samenleving. Naarmate kunde en middelen van de geneeskunde in onze samenleving toenemen, lijken mensen minder in staat te zijn om met lijden en de eindigheid van dit leven om te gaan. Dit geldt des te meer voor mensen die geloven dat er niets na de dood is. Je leeft maar één keer, zo zegt men. Als het er zo voor staat, moet je niet alleen alles eruit halen wat erin zit (veel geld verdienen, zo vaak mogelijk op vakantie, met verschillende mensen de lakens delen ), maar wil je ook het lijden zoveel mogelijk uitbannen en de dood zo lang mogelijk uitstellen of, bij ”uitzichtloos lijden”, zelf in de hand nemen.

Lijdenstijd

Volgens mij ligt hier een edele taak voor ethici en theologen, maar ook voor geneeskundigen: zich niet alleen bezinnen op de vraag hoe om te gaan met orgaandonatie, maar ook op de vraag of we nog in staat zijn lijden te dragen, of we nog kunnen aanvaarden dat niet iedere kwaal altijd te genezen is, dat er soms geen donororgaan beschikbaar is en dat we op een zekere dag –misschien vroeger dan gedacht– moeten sterven. Het lijden laat zich in deze wereld immers niet uitbannen en de dood is onvermijdelijk.

Dat hoeft ons echter niet te beangstigen. De lijdenstijd is bij uitstek een tijd waarin we als christenen bepaald worden bij het verval van ons aardse lichaam. We mogen in deze tijd leren niet overmatig aan dit leven te hangen en niet bang te zijn voor de dood. Dit gelovig besef staat haaks op het heersende culturele regime. We geloven immers in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en in de opstanding van het vlees.

De auteur is publicist.